2019_Tribe-horeca-blog.04.jpg
Koffie in de linkse kerk
- 24 januari 2019 door Edwin -
Over wat maagdelijk met wit te maken heeft, valt te redetwisten. Een oude uitdrukking. Het wit zal voor reinheid staan, als wit beddengoed aan de waslijn, grote onderbroeken. Het maagdelijke verwijst waarschijnlijk naar het onbezoedelde, naar de onschuld, naar het mensenleven dat nog niet van de verboden vrucht heeft gesnoept. Ik fiets door een landschap dat langzaam dicht sneeuwt en meer dan de uitdrukking maagdelijk wit komt niet in me op. Ik maak graag de eerste sporen in een vers laagje sneeuw. De oude wereld zou er wel eens als een nieuwe onderuit tevoorschijn kunnen komen.

Ik wil naar de bieb in Den Bosch. Volgens een folder schijnt er van alles veranderd te zijn. Een kop koffie en een taartje in de koffiecorner aldaar, de sfeer proeven. Een halfuur fietsen, met tegenwind. Ik trap het talud van de brug over het kanaal op. Bijna boven zie ik beneden een auto op de kop in de sloot liggen. De achterlichten branden en de voorwielen draaien nog. Het moet net gebeurd zijn. Als ik het talud weer af rijd om te gaan kijken, steek ik een arm in de lucht om een naderende auto te stoppen. De auto stopt en het raam aan de bestuurderskant zoeft omlaag. “Er ligt daar een auto in de sloot,” zeg ik. “Weet ik,” bevestigt de bestuurder. “Ik heb de eigenaar net naar huis gebracht. Met de schrik vrijgekomen.” Ik groet en fiets het talud weer op.

Rokers welkom
Buiten voor de ingang van de bieb staat een viertal jongelui te roken. Het doet me altijd goed om jongeren in boekentempels te zien. Ik klop de sneeuw van mijn kleren en loop de hoge, ruime centrale hal binnen. Middenin die hal is de koffiecorner. Voordat ik daar ga zitten, kijk ik wat rond, snuffel ik wat aan de boeken op de uitstaltafels. Boeken over spiritualiteit, boeken over onze omgang met dieren en het milieu, kritische boeken. Mijn oog valt op de aankondiging van een gratis lezing met de prikkelende titel Ecostalinisme. René ten Bos, filosoof des vaderlands, zal de lezing verzorgen. Ik verwittig een stel vrienden middels een appje.

Tijd voor koffie.
De vrouw achter de toonbank heeft een bekend gezicht. Zes jaar geleden was ik hier voor het laatst. Waarschijnlijk werkte ze hier toen al. Ik bestel een kop koffie en een stukje carrotcake. Ik vraag haar of er hier iets veranderd is. “Ja, twaalf jaar geleden is het hier verbouwd,” legt ze uit terwijl ze routineus mijn bestelling klaarmaakt. “Toen kwam deze koffiecorner. Het is hier altijd druk moet je weten. Je loopt hier dan ook gemakkelijk binnen, gemakkelijker dan in een café, denk ik persoonlijk. Het is hier laagdrempelig.” Ze wijst me de kasten met de dag- en weekbladen. “En verderop staan alle andere tijdschriften.”

Fairtrade koekje
Een van de vijf nog vrije lage tafels wordt de mijne. Ik pluk het dagverse Financiële Dagblad uit een kast en nip van mijn koffie als ik eenmaal zit. Het fairtrade koekje op het schoteltje is apart verpakt in een plasticje. Apart verpakte koekjes moet maar eens afgelopen zijn. Het ziet er niet uit. Lekker koekje, dat wel, en heerlijke carrotcake. Uit de binnenzak van mijn jas haal ik een stuk papier en een pen. “Ik ga jullie opschrijven,” fluister ik in gedachten tegen de mensen aan de andere tafels.

Niet één, maar twee vrouwen doen de bediening. Ze keuvelen achter de balie, heel tevreden, met slechts een spoortje verontwaardiging om het werk levendig te houden: “Dus ik zeg tegen hem dat ‘ie dat niet kan maken, dat daar gedoe van komt. En dan lacht ‘ie dat weg met zo’n stalen kop. Nou ja!” De vrouw die mijn koffie bereidde komt gelopen en poetst een tafeltje vlakbij kruimelvrij. Met een schuin oog en een beetje argwaan kijkt ze naar mijn schrijfarbeid. Ik vang haar blik en knik vriendelijk. Ze voelt zich niet betrapt.

Worstenbroodje
Opeens wordt het licht warmer, geler. Ik kijk naar boven en zie daar een ambilight zijn kameleontische trucjes doen. Van mij mag het gerust dit behaaglijke geel blijven. Ik heb zin in een praatje, over die auto in de sloot bijvoorbeeld, of over ecostalinisme en wat daarmee gezegd wil zijn. Bevind ik me hier in de ‘linkse kerk’? Mensen praten hier op zacht volume, ze bewegen nagenoeg geruisloos als monniken door de gangen van hun klooster en ze lezen kennelijk boeken die maatschappelijke ontwikkelingen vanuit kritisch perspectief benaderen. Goed dat de bieb bestaat.
Ton bestelt een worstenbroodje aan de balie. Dat hij Ton heet, weet ik van Erik, die aan het tafeltje links voor me zit. “Hey Ton,” zegt Erik. “Hey Erik,” zegt Ton. Ton is hier in functie getuige de pieper aan zijn broek. Erik is blij dat Ton verschijnt. Ook hij zat om een praatje verlegen.

Schuw hertje
Een man met een baksteenkleurig colbert over een oranje lamswollen trui met V-hals maakt aanstalten om aan het zojuist ontkruimelde tafeltje voor me te gaan zitten. Maar eerst beent hij weg. Zijn zwarte overjas houdt wel alvast het tafeltje bezet. Hij komt terug met een dun boekje waarin hij staande begint te bladeren. Het lijkt een ritueel, het lijkt alsof hij het tafeltje het hof moet maken voordat hij mag gaan zitten. Na tien minuten mag het, dus hij neemt plaats. Nog eens tien minuten later staat er een vrouw bij hem aan tafel. Ze kennen elkaar. De ontmoeting van de twee zeventigers is ontspannen. Ze kussen elkaar niet.
Nadat ze haar jas heeft uitgedaan, neemt ze tegenover hem plaats. Ze praten weinig en vinden dat prima. Tien minuten later staat er een tweede vrouw bij hen. Ze vraagt aan de andere vrouw of ze haar haar korter heeft. De andere vrouw zegt dat het alweer aangegroeid is. Hierna gaat het drietal over op Frans, vloeiend Frans, een genot, ofschoon ik er niets van begrijp. Ondertussen heeft een jonge vrouw plaatsgenomen aan het tafeltje rechts van me. Op haar schoot houdt ze een belegd stokbroodje in kraakfolie vast. Telkens al ze een nieuw hapje wil gaan nemen ritselt de folie en kijkt ze als een schuw hertje om zich heen.

Tegen een lantaarnpaal
Zou de auto nog in de sloot liggen, denk ik als ik mijn fiets van slot haal. De man die de eigenaar van de auto naar huis had gebracht, had me verteld dat het een elektrische auto is. “Daar moet je mee opletten als die in het water liggen. Hij zou 112 bellen.”

Het sneeuwt harder dan op de heenweg. De kou vreet aan mijn gezicht. Winterse kou doet me goed, ik geniet er van. Als ik de brug over het kanaal nader, hoor ik achter me een klap. Een bestelbusje schoof door in de bocht, tegen een lantaarnpaal vijf meter bij me vandaan. De bestuurder steekt zijn duim op, start het busje, zet achteruit en vervolgt zijn weg. In de sloot ligt geen auto meer. Als ik mijn dorp binnenrijdt, zie ik een scooterrijder van de grond opkrabbelen. Een paar mensen schieten hem te hulp vanuit hun inderhaast midden op de weg stilgezette auto’s. De schade valt mee, zie ik, als ik tussen de obstakels door manoeuvreer met de kop op huis aan.





een
stokbroodje
in
kraakfolie
menu