tribe-horeca-interieurs-horeca-inrichting-bijlmer.jpg
Diep in Nederland
- 7 februari 2019 door Edwin -
Dat niemand zei dat ik mijn mond moest houden, verbaast me. Het heeft iets kinderlijks. Als ik enthousiast ben, word ik nieuwsgierig, wil ik alles weten en ratel ik aan een stuk door. Vermoeiend, niet alleen voor mezelf. Maar goed, een bezoek aan de Bijlmerbajes is dan ook geen alledaagse kost.

Met de bus naar Den Bosch en vandaaruit met de trein naar Amsterdam. Daar, aan de vooravond van de sloop, een rondleiding door Nederlands beroemdste huis van bewaring. Het feestje begon echter al gelijk in de bus. Ik nam plaats naast een 88-jarige man met een vriendelijke glimlach, een iele stem en een wandelstok. Hij woont in Veldhoven en reist elke zaterdag met de bus naar Den Bosch om daar wat rond te lopen en een borreltje te drinken. De busreis van Veldhoven over Eindhoven en Veghel is de kers op zijn uitje. Gewoon gaan zitten, zegt hij, en maar zien wat er gebeurt. Dit wil ik ook als ik de 88 haal.

In het openbaar vervoer zit je vaak naast en tegenover mensen die je nooit eerder zag, laat staan, sprak. Toch weet iedereen dat er hele levens achter die zwijgende gezichten schuilgaan. Zo zat ik jaren geleden in de nachttrein naast een Colombiaanse man die een handeltje in tweedehands autobanden had opgezet. In zijn geboorteland reed men nog vele kilometers op banden die hier waren afgekeurd. Hij was lid van een of ander christelijk kerkgenootschap. Na het verhaal over zijn bandenavontuur, waarvoor hij op zoek was naar geldschieters, meende hij mij te moeten bekeren tot zijn geloof. Dat ik daarvoor paste, snapte hij niet. Maar hij kon er wel mee leven. Handenschuddend stapte ik uit in Den Bosch.

Station Amsterdam Amstel. Een imposante hal met mooie muurschilderingen en een fraai tegeltableau. Ik heb geen haast, koop een broodje kaas en laat de ruimte op me inwerken terwijl mijn kaken malen. Ik leef nu, in 2019. Deze stationshal werd tachtig jaar geleden gebouwd. Ik probeer de tijd te begrijpen die me als levende geschiedenis overrompelt. Dit zal me vandaag vaker overkomen. Ook in de Bijlmerbajes, die ik tot vandaag kende als troosteloze verzameling van zes grijze betonkolossen aan het spoor.

De gids is er nog niet, dus ik wacht in de voormalige wasserette van de bajes. Deze van oorsprong kille betegelde ruimte is door een interieurontwerper omgetoverd tot een bijzonder prettig café. Oud meubilair uit de seventies en tamelijk ruige decoratieve accenten doorbreken de starre, rechte lijnen van weleer. Het café wordt gerund door een groep ambitieuze en erg vriendelijke Syriërs.

Over de rondleiding kan ik kort zijn: indrukwekkend en beklemmend. Ik neem me stellig voor om op het rechte pad te blijven, altijd. Of me dat gaat lukken, weet niemand. Zeker is dat internering in deze nor verleden tijd is. De sloopkogel gaat erin; er komt een duurzame woonwijk voor in de plaats.

De Bijlmermeer ken ik alleen van horen zeggen. In mijn veilige jeugd op het Brabantse platteland werd de plek geduid als een no go area. Ik ben een witte man van middelbare leeftijd, denk ik als de bovengrondse moltrein instap. De andere reizigers slaan hier echter geen acht op; zij gaan naar huis of naar familie of wie dan ook en ik ben slechts een medereiziger.

De metro brengt me naar station Kraaiennest, dat op metershoge betonnen pilaren een schitterend zicht geeft op de wijk met zijn kenmerkende hoogbouwflats in honingraatstructuur. Ruim een uur loop ik door dit opvallend ruime en groene stadsdeel. Het is moeilijk uit te leggen wat het met me doet nu verhalen uit mijn jeugd, oude foto’s van de flats en nieuwsbeelden van junkachtige misère uit de tachtiger jaren zich mengen met wat ik hier en nu zie.

Een man die zich Koffie noemt, spreekt me aan. Twintig jaar geleden vertrok hij uit Curaçao en vestigde zich hier in een van de flats. Vijf kinderen heeft hij, bij dezelfde vrouw, benadrukt hij. Met trots vertelt hij dat zijn inmiddels overleden moeder 89 werd. Waarom hij me aanspreekt, is me niet duidelijk. Hij zal gezien hebben dat ik een toerist ben; waarschijnlijk zat hij gewoon om een praatje verlegen. Voordat ik verder loop wil hij mijn naam weten. Edwin is okay, hij kent er wel een paar, hij steekt zijn duim omhoog.

Het loopt tegen zessen, ik lust wel een pintje. Onder een gebouw dat op een parkeergarage lijkt, zit een studentencafé. Daar hebben ze vast wel bier. De parkeergarage blijkt echter een zogenaamde ‘foodhal’ als ik ervoor sta. World of Food, heet het complex waarin twintig, misschien wel dertig eettentjes zijn ondergebracht. Een veelkleurige multiculturele verrassing, honderden gasten. Een hectisch spektakel van geuren en talen. In de licht hellende gangpaden tussen de eettentjes staan lange tafels op hoge poten. Hieraan smullen gasten, staand of gezeten op een barkruk, van hun Surinaamse, Liberiaanse, Thaise of anderlandse exotische gerechten. Een langgerekte cafetaria met een wereldsmakenpalet.

De kokkin in het Liberiaanse stalletje ziet er in haar overwegend felgroene kleding zo vrolijk en uitnodigend uit, dat mijn keuze op haar keuken valt. “Mister, your food is ready,” zegt ze tegen een man die in stoïcijnse rust op zijn mobieltje bezig is. Hij zegt dat hij weet dat zijn eten klaar is - hij had het tenslotte al even zien staan - maar dat hij nog niet betaald heeft. “Okay,” zegt de vrouw met verbaasde frons. “Cash or card?” Hierna mag ik bestellen.

Met een bord vol kleine porties van zo’n tien gerechten – waarvan de vele kleuren me doen denken aan het palet van een kunstschilder – zoek ik een plekje aan een van lage tafels in de nissen tussen de stalletjes. Ik neem plaats naast een vrouw die kennelijk geen honger heeft. Ze wil mijn eten wel even bewaken. Snel loop ik naar de bar bij de ingang. Ik kwam tenslotte voor een pintje.
“Eet u niets?” vraag ik de vrouw als ik weer aanschuif. Ze vindt het er allemaal wel lekker uitzien, geeft ze toe. “Maar toch ga ik liever naar een gewoon restaurant. Een stuk rustiger en je wordt er bediend. Misschien ben ik wel een verwend nest.” Ze wijst naar een man die watertandend staat te wachten bij Don Latino, een Peruaanse grillmeester. “Mijn vriend. Hij komt hier graag.”

Om een uur of acht pak ik de trein naar Utrecht vanaf station Amsterdam Bijlmer Arena. Een kwartier later vergaap ik me aan het compleet vernieuwde Utrecht CS en aan het resultaat van de make-over van Hoog Catharijne, ooit het ‘winkelhart van Nederland’. In een kroeg aan de Utrechtse Voorstraat drink ik een paar Duvels met wat vrienden. Voor twaalven zit ik weer in de trein. Ik was diep in Nederland vandaag; ik kan niet meer stoppen met praten.

De dertiger tegenover me is over Utrecht teruggereisd van een wijnproeverij in Rotterdam. Zijn vriend woont er en die is nogal in de wijnen. Er ging een wereld voor hem open. Gisteren was wijn nog gewoon wijn, nu niet meer. Ik probeer hem uit te leggen dat er voor mij ook een wereld openging vandaag. Het lukt niet. Bovendien wil hij vertellen over zijn pasgeboren zoontje en het prille vaderschap. Hij straalt van oor tot oor, zijn ogen fonkelen. Praat maar, denk ik.





handenschuddend
stapte
ik
uit
menu