Als een rus in de bus

- 03 January 2018 door Edwin Timmers -

Heel even voelde ik me een personage in een van die prachtige verhalen van Tsjechov. Zo'n man met drie lange Russische namen die door een overdaad aan medeklinkers hard klinken. Een naam die verwijst naar familie en de voornaam van de vader, een naam kortom die ’s mans afkomst niet kan verbergen.
Ik zit in de bus. Naast me aan de andere kant van het gangpad zitten twee dames op leeftijd. Een van hen is mevrouw Verhallen die ik nog ken uit het dorp waar ik opgroeide. Zij zou me ook moeten kennen, maar aangezien ik haar minstens vijfentwintig jaar niet heb gezien, zal haar beeld van mij niet meer stroken met de huidige toestand van mijn hoofd. Dat ik haar wel herken zal ermee te maken hebben dat zij indertijd meer indruk op mij gemaakt heeft dan ik op haar. Ze is nog steeds dat frêle vrouwtje met dat verfijnde gezicht. Haar haar is in een kwarteeuw niet grijzer geworden. Mijn haar is nagenoeg weg.

Toen ik instapte nam de buschauffeur het briefje van vijf euro dat ik hem toestak niet aan. Cash is verleden tijd. Pinnen kan wel. Ik betaalde contactloos en nam plaats tegenover een meisje van zestien zonder fratsen en met een felle verongelijkte blik. Drie haltes verder zitten er vier jonge meiden tegenover me. Alle vier verzonken in hun mobieltje, net als de jongen rechts naast me. Het meisje bij het raam links van het gangpad kijkt dromerig naar buiten. Haar oren zijn via een wit kabeltje met de telefoon in haar hand verbonden. De meid ernaast is met tweeëntwintig jaar de oudste. Ze typt razendsnel en staart met tussenpozen licht peinzend omhoog. Recht tegenover me zit een twintigjarige met blonde pijpenkrullen en volle, rood gestifte lippen. Ze lacht tegen het schermpje van haar mobiel. Misschien is ze verliefd.

Gisteren vertelde een collega over een vriendin uit zijn vriendenkring. Haar partner schijnt nogal een baasje te zijn. Ze zit onder de plak. Verliefdheid geeft geen garantie. Dumpen die lul, dacht ik.

Mijn telefoon zit in mijn jaszak en blijft daar. Maar schermen zijn overal. En eigenlijk is de voorruit van de bus ook een scherm waarop van alles gebeurt. Waarom kijk ik niet gewoon naar buiten? Het zal de belofte van nieuwe informatie zijn die schermen een streepje voor op ramen geeft. In een flits meen ik op het informatiescherm voorin de bus iets te lezen over pinnen in de bus en het einde van cash. Er wordt een datum genoemd, maar die is alweer weg voordat ik hem heb opgeslagen. Ik wil weten wanneer het is ingevoerd en kijk de voorstelling nog maar een keer rond. Als opnieuw de foto verschijnt waarop de mededeling over het einde van cash verscheen, zie ik die mededeling in het Pools. Zou de bus denken dat ik een Pool ben? Zou mevrouw Verhallen dat ook denken?

Het lijkt wel een toneelstukje wat de vier meiden tegenover me opvoeren. Goed geacteerd, heel naturel. Ik gun hen een gouden toekomst zonder knechtende liefde. De bus nadert het centraal station. De lome sfeer maakt plaats voor lichte onrust, opkijkende hoofden en strekkende halzen.

Als ik opsta om uit te stappen, kijk ik mevrouw Verhallen in de ogen. Nog steeds herkent ze me niet. “Dag mevrouw Verhallen,” zeg ik opgewekt. “Hallo? Ken ik u?” reageert ze. “Ik denk van wel,” lach ik. “Edwin Timmers.” Haar ogen draaien ietsje naar boven, ze zoekt. “Edwin Timmers? Van Jo en Piet?” vraagt ze. Ik knik. “Ik had je niet herkend.” Ze kent me alleen nog van naam, Timmers, Edwin Pietszoon.
terug

schermen

zijn

overal