Bloedprikhumor

- 03 October 2017 door Edwin Timmers -

Ik bracht de jongedame en jongeman van de bloedprikdienst aan het lachen met een verhaal uit de Bierschuur.
Onze jongste zoon is ernstig meervoudig gehandicapt, ik vertelde dat hier al eerder. De oorzaak van zijn handicap is sinds een half jaar bekend. Iets genetisch. Het kan een mutatie in zijn genenpakket zijn geweest tijdens de zwangerschap, of mijn vriendin en ik zijn allebei drager van de aandoening en dus veroorzaker. Om hierover iets te kunnen zeggen, vroeg de neuroloog ons wat bloed af te staan.

Mijn vriendin vindt bloedprikken best spannend. “Ik kijk niet,” zei ze met opgestroopte mouw vanuit de bloedprikstoel. “Groot gelijk,” zei ik, terwijl ik dacht dat ik haar moest afleiden met wat kletspraat. Met een beetje pech focust ze zich op de naald die een ader binnenglijdt en gaat ze onderuit. “Ik kan niet met mijn voeten bij de grond,” meldde ze, lachend nog. “Zo glijd ik wel heel gemakkelijk uit de stoel.” Ik bood mijn rug aan waartegen ze zich schrap zou kunnen zetten. Niet nodig, want de jongedame zette de stoel gewoon wat lager en begon voortvarend met het prik- en zuigwerk. Vier buisjes. Ondertussen vertelde ik de prikkers over de aanleiding van deze priksessie.

Zo gepiept, niks aan de hand, mijn beurt. “Ik kijk niet,” herhaalde mijn vriendin. Ik keek ook niet. Om mijn eigen aandacht van het aftapwerk weg te leiden, maakte ik een opmerking over het groenige licht dat in de kamer en de gang hing. De jongedame keek me onderzoekend aan of ik nog wel bij zinnen was. De jongeman keek eens om zich heen. “Inderdaad,” zei hij. “Grappig, want dat valt me kennelijk niet meer op na zoveel jaar.” De jongedame ervoer het ook zo: “Sommige dingen merk je na verloop van tijd niet meer op, hoewel die typische anesthesie-geur me nog altijd wel opvalt. Een indringende geur.” Deze opmerking bracht me meteen naar de Bierschuur in België, een bierwinkel waar ik afgelopen vrijdag even binnenwipte nadat ik een bouwklus in het pand ernaast had afgerond.

Ik vertelde het bloedprikteam dat geuren altijd geneigd zijn te triggeren. “Dit doet me denken aan een bierwinkel,” merkte ik op. “Kennen jullie de geur van mensen die zijn opgebaard op zo’n koelelement?” Die kenden ze. “Okay,” zei ik. “Die geur noem ik de geur van de dood.” Er verscheen een glimlach op het gezicht van de jongeman. Op het gezicht van de dame gloorde een vraagteken. Hun houding verried nieuwsgierigheid naar het hele verhaal. Mijn vriendin draaide haar ogen naar boven en zuchtte. Daar gaat ‘ie weer, zag ik haar denken. Daar ging ik.

“Welnu, in die winkel zocht ik naar Orval, een trappist met een volstrekt eigen smaak. Aan de kassabalie stond een man te zemelen over een niet uitleesbare kortingsbon van drie euro die een vriend hem per e-mail had toegestuurd. Twee personeelsleden waren met het probleem gemoeid. Om het hen niet moeilijker te maken, liet ik hen met rust en liep ik de winkel nog maar een keer rond. Geen Orval. Ik liet een oud verschrompeld dametje met bleke tronie en vergeefse blik op oneindig passeren. Ze bouwde haar winkelkarretje langzaam vol met een prachtige selectie speciaalbier. Ik vroeg me af of ze haar afscheid voorbereidde. Zou ze zuipend het ondermaanse willen verlaten? Stiekem prees ik haar goede smaak. Ik dorst haar vanwege het defaitistische beeld dat ik van haar had geschapen niet te vragen naar de Orval en maakte nog maar een rondje, want aan de balie was het probleem nog steeds niet getackeld.

Ik was bijna rond toen ik om de hoek van een schap het oude besje trof in gesprek met twee andere klanten. ‘Ik houd wel van een biertje,’ hoorde ik haar zeggen terwijl ze zorgvuldig de tweede bierlaag in haar kar bouwde. Ze adviseerde haar toehoorders bij hun keuze. Ik liep op haar toe. Om haar heen hing de geur van de dood, werkelijk waar. Ik meende het al te ruiken toen ze me voor het eerst passeerde. Nu wist ik het zeker.

‘Orval?’ reageerde ze allervriendelijkst en met levendige stem op mijn vraag. ‘Nee, da weet ik nie, dat zult ge bij de balie moeten vragen.’ Waarom hing die geur bij haar? Dit zijn van die dingen waar je niet op doorvraagt. Bij de balie was inmiddels, na twintig minuten, het kortingsbonprobleem opgelost. De man betaalde anderhalve euro, zijnde vierenhalf minus drie euro korting, en verliet de Bierschuur met het schaamrood op de kaken en een nederige blik op de inmiddels aardig lange rij bij de kassa. Toen het mijn beurt was, verontschuldigde de man achter de balie zich. Orval is momenteel niet leverbaar. Maar wat rook ik toch? Ik draaide me om en keek in de vriendelijke ogen van de geurige vrouw. ‘Geen Orval, meneer,’ zei ze. “Da’s nou jammer. Maar, als ge wilt, kan ik u nog wel een paar andere mooie bieren aanprijzen hoor.’”
terug

wilt

u

erbij

zitten