Charlie & the Lesbians

- 12 June 2017 door Edwin Timmers -

Industrieel erfgoed doet het goed. Oude fabriekshallen worden uitgaansplekken. Publiek voelt zich thuis in ruimtes waar ooit de arbeider van zijn arbeid vervreemde. Raar, ergens. Toch loop ik er ook graag in rond. Maar hoe zit het eigenlijk met ons sociaal-cultureel erfgoed? Tot voor kort had zowat elk dorp een soos. In het weekend een bandje en verder gewoon wat bier drinken en platen draaien. Zijn er nog sozen van het eerste uur?
OJA in het Brabantse Aarle-Rixtel (nabij Helmond) is er een. Van mij mag deze soos naar het Openluchtmuseum in Arnhem. Maar pas nadat de laatste vrijwilliger is gestopt. Onlangs kwam ik er voor het eerst. Een benefietavond met vier bands. Geweldig, alles.

De zon zakt na een warme dag. OJA staat niet ver van de kerk en tegenover een basisschool. Een onopvallend pand dat opvalt door achterstallig onderhoud. Je ziet meteen dat het budget altijd moet worden bevochten bij de gemeente. Consensus, maar aan de lage kant. Aan het pand staat een enorme partytent, waaronder een stuk of tien jongelui in versleten bankstellen een peuk roken. Ik hoor boenke-boenke als ik de deur open. Via een krap halletje kom ik bij een geïmproviseerde kassa naast de bar in de zaal. Ik betaal entree, krijg een vlekkerige stempel op mijn hand, draai me om en bestel, hangend aan de bar een pilske bij het meiske erachter. Flessenbier, joepie, flessenbier waar het glas al omheen zit. Kosten: anderhalve euro.

Een vrolijke kerel stapt het podium op en vertelt iets wat de aankondiging blijkt van de eerste band: Lookapony. Deze garagerockband heb ik vaker gezien. Het geluid is heel OK. Zonder PA. De eerste gasten gaan al uit hun bol getuige de drukke motoriek van hun ledematen. Na een half uur is het gedaan. De zanger lijkt wat teleurgesteld. Niet nodig, vind ik. Zowat de helft van het publiek gaat buiten roken. Daar spreek ik de gitarist, die ook niet heel tevreden is. Ik herken dat zelfmedelijden verpakt als zelfkritiek.

Hoe ziet de zaal eruit? Bijeengeraapt. Het interieur bestaat uit gevonden voorwerpen en is gemaakt van materialen die, vermoed ik, geschonken zijn door werkgevers of familie van de medewerkers. Het interieur bevindt zich in een permanent proces van wording en iedereen vindt dat goed, want iedereen lacht. Graffiti her en der, gevatte teksten gestift op de tegels boven de pisbak, veel stickers, aftands meubilair, gammel tafelvoetbalspel: ik voel me hier met de minuut thuizer.

De tweede band begint. De rokers gaan weer naar binnen. The Chase Club, een band die voor deze gelegenheid de instrumenten weer eens kruist. Niet een heel evenwichtige set, wel lekker. En enthousiast. Het publiek, zo’n negentig man, vindt het prachtig. Band klaar, halve zaal leeg vanwege rookbehoefte. Buiten spreek ik Conny, die overigens niet rookt. Ze vraagt me waarom ik, met mijn huidige band – die deze avond niet speelt – toch weer optreedt. “IJdelheid,” roept Roel van Traumahelikopter, de band die de avond zal afsluiten. “Dat antwoord geven muzikanten allemaal,” zegt Conny. “Maar ik geloof er niks van.” Ik zeg dat het wel degelijk ijdelheid is, maar niet alleen dat. En daar hebben we het dan over.

Charlie & the Lesbians gaat beginnen. “Heel goed,” zegt Roel. De gitarist heeft een mooie bos krullen en veel lippenstift op en rondom zijn lippen. Hij beweegt als een lustige tijger in zijn kooi. De bassiste heeft een regenboogvlag over haar versterker. Ze is het liefje van de drumster. Als dit the Lesbians zijn, dan is de zanger waarschijnlijk Charlie. Charlie draagt tight jeans met een okerbruin ceintuur door de lussen. Zijn bescheiden lillende bovenlijf is naakt, net als zijn hoofd.

Logge midtempo punkrock. Niks nieuws, verdomd lekker. ‘Hating my life’ spreekt als songtitel boekdelen. Charlie balanceert op de uiterste rand van het podium, pompt zijn schouders, die na een paar songs al glanzen van het zweet, op en kijkt woest, nee, stoïcijns, voor zich uit. Hij staat aan de laadpaal. Hij spuugt wat gorgel met een boog de zaal in, zet de microfoon aan zijn mond, spant de spieren in zijn bovenlijf en brult terwijl de band inzet. Het publiek houdt van Charlie, die meteen daarop het podium verlaat en zich een weg naar nergens baant doorheen de beukende massa. Hij eindigt het nummer als spartelende epilepticus op de grond. Ik wil deze band vaker zien. Wat een schitterend spel. Overtuigend geacteerde welgemeendheid, net als in soul. Geloofwaardige nep, die toch echt is. Jawel, maar dan ga ik te gemakkelijk voorbij aan de backing vocals van de drumster. Haar monotone, gepijnigde schreeuwen gaat door merg en been. Haar stem drapeert een ziel over de naar cynisme neigende ironie van het geheel.

Traumahelikopter, de afsluiter, staat op het podium in een bijna lege zaal. De aankondiger heeft merkbaar twee uur flessenbier achter de rug. Hij vermengt woorden met kreten en zegt: “Wacht even!”, waarop hij naar buiten loopt om alle rokers en hun begeleiders naar binnen te roepen. Een minuut later is de zaal vol en start de band. Derde liedje kolkt de zaal opnieuw. Half uurtje later is het zweten voorbij. De aankondiger stapt het podium weer op, roept de organisators van deze benefietavond zij zich, bedankt hen en vraagt of ze nog iets willen zeggen. Dat willen ze niet. Hoewel, okee dan, een ding: “Bedankt!” Precies zo dacht ik er over. Ik loop naar de bar en trek de aandacht van het meisje erachter. Ze raadt: “Een bier!”
terug

van de

tap

of uit de

fles