De eerste mooie dagen

- 21 February 2019 door Edwin Timmers -

Zondagavond aan de bar. Een jonge klare bij de koffie. De gast naast me, een sommelier, heeft deze combinatie nog nooit gezien. Cafeïne als boost voor de week die komen gaat en een laatste shot alcohol om er nog niet aan te hoeven denken. Zo verklaar ik de combi. De wijnkenner, een dun ventje met een licht gekromde rug, beloont deze verklaring met een gulle lach. Onlangs bezocht hij 's lands beste jeneverstoker. Sindsdien is hij om.
Van Port via speciaalbieren naar rokerige whisky en stroperige dessertwijnen. We drinken er geen druppel van. Het lekkers gaat verbaal over de tong. Een bourgondisch weekend afsluiten met een sommelier als gesprekspartner, mijmeren over smaken die komen gaan, het heeft iets groots. Met een ferme tik zet ik het lege borrelglaasje op de bar. Even later fiets ik de milde nacht in.

Een dag eerder zit ik op het terras van De Blaauwe Hand, naar het schijnt de oudste kroeg van Nijmegen. Waiting on a friend van de Stones speelt in mijn hoofd. De zon draait langzaam het smalle straatje in, ze heeft het beste met de horeca voor. Aan de lange tafel naast de mijne zitten acht vrienden zich moed in te drinken voor de ongetwijfeld lange en spannende avond die gaat komen. Uit de enigszins afwezige blikken van deze mid-dertigers maak ik op dat ze er nog niet echt in zitten. Vrouwlief zit vermoedelijk thuis met de zorg voor hun overprikkelde kroost. Schuldgevoel daarover en over wat straks gaat gebeuren, houdt hen nog even bezig.

Gewoon een café dat volloopt vanwege het simpele feit dat het een café is. Geen kwis, geen bingo, geen Nederlandstalige vocalist, geen voetbal op tv. Praten en drinken, dat is alles en, welbeschouwd, genoeg. De zon draait door. Mijn deel van het terras komt in de schaduw, ik ga naar binnen. Niet veel later begroet ik mijn Nijmeegse vriend.

Eigenlijk ging ik naar Nijmegen voor de nieuwe LP van een favoriete band. De platenzaak had ‘m nog niet in de bakken. De verkoper ken ik al heel lang. Hij begreep niet waarom ik die plaat wilde. “Vindt jij die band goed?” vroeg hij. “Typisch zo’n Nederlands kutbandje. Ik vind het echt helemaal niks.” Zeldzaam taalgebruik voor een verkoper.

Ik arriveerde hongerig in de zonovergoten studentenstad, dus voordat ik naar de platenzaak ging, voordat ik ook maar wist dat deze middag in een kroeg zou eindigen, at ik bij Freddy’s Beerkitchen aan het Koningsplein.

Zonovergoten, maar koel. Onder de enorme parasols op het plein branden vele terraswarmers. Een enkeling waagt zich er zonder winterjas onder. De voorgevel van Freddy’s baadt in het zonlicht. Binnen, achter de glazen pui, kun je tomaten telen, zo genadig warm is het er. Vanaf deze plek overzie ik de zaak en het plein.
Een krijtbord aan de muur attendeert me in romige letters op de ‘hotdog van de maand’: de zogenaamde scrambled dog, geklutste hond. Ook wordt er een ‘kipdog’ aanbevolen. Ik kies voor een broodje eggs en bacon, maar dan zonder bacon. Ter compensatie krijg ik extra partjes zongedroogde tomaat.

Freddy’s is een fijne tent met de uitstraling van een gesofisticeerde garage. Er klinkt seventies soft soul. Het personeel bedient de pick-up, zij houden ook de muziek draaiende. Er ligt een aftandse betonvloer. Het plafond is bespoten met geluiddempend schuim dat harde klanken aangenaam afrondt. Stemflarden die vanaf het gestaag vollopende terras de zaak binnenstromen krijgen er een dromerig randje van.

Het is nooit moeilijk om de eigenaar van een horecazaak tussen zijn personeel te ontdekken. Zij of hij heeft de spiedende blik van een adelaar en staat altijd in de startblokken. De eigenaar van Freddy’s instrueert een groentje terwijl hij struikelend over een hoogpotig kinderstoeltje een nieuwe LP opzet. Hij drukt de nieuweling een dienblad in zijn handen en geeft hem een paar minuten om te oefenen. Met een leeg blad op zijn vingertoppen manoeuvreert de jongen traag, doch geconcentreerd tussen de tafeltjes door. Links en rechts van hem passeren vliegensvlugge meiden met volle bladen op gespierde vingers. Het is spitsuur.

Aalscholvers hebben geen vette veren. Als ze uit het water komen, drogen ze zich hoog boven de grond met gespreide vleugels aan de zon en de wind. Het stel dat buiten tegen de glazen pui zit, doet me aan deze vogels denken. Ze warmen zich aan de zon en wisselen nauwelijks een woord. Ze zonnebaden op een stoel en denken onafhankelijk van elkaar aan dezelfde strandvakantie. De vrouw draait haar hoofd naar de man. Haar lippen bewegen. “Jij bent altijd zo snel bruin.” Misschien zegt ze dit. Hij reageert met een wiebelend hoofd en rolt de mouwen van zijn overhemd op. Op hun klaptafeltje staat een tijdloos colaflesje het zonlicht te breken en een piepklein zinken emmertje met een blauwe druif die spoedig zal bloeien .

De nieuwe jongen van de bediening houdt halt bij dit tafeltje. Op zijn vingertoppen wankelt een vol dienblad. Het stel heeft niets besteld. De jongen verontschuldigt zich, neemt het lege colaflesje van tafel en vervolgt zijn zoektocht. Hij kent de tafelnummers nog niet. Verderop gaat een arm de lucht in. Bingo. Dat zal nummer 23 zijn.

Ik complimenteer de eigenaar met zijn zaak als ik mijn bankpas boven de betaalautomaat houd. Zijn gefocuste gezicht klaart op. Nee, het is hier niet altijd zo druk, zeker niet in februari. Het is het extreem vroege voorjaarsweer. “Dit zijn de eerste mooie dagen.”
Een mooie dag. Als ik dan toch hier ben. Ik app mijn Nijmeegse vriend. Pling! Hij heeft wel zin in een pintje. “Twee uur in De Blaauwe Hand?”
terug

wat

straks

gaat

gebeuren