De striptekenende monnik

- 20 June 2017 door Edwin Timmers -

Zo zag heel het gebied rondom het dorp er vroeger zo'n beetje uit. We staan in de achtertuin van een tweekamerappartement. De tuin sluit aan op een landschap van kleine landbouwpercelen die door rijen bomen en struiken van elkaar gescheiden zijn. Er is wel wat verloren gegaan met de ruilverkaveling, vindt de man die ik ga interviewen.
De man werkte van 1979 tot 1993 voor een van de eerste biologische productiebedrijven in Nederland. De principes van veel begrippen die nu gemeengoed zijn, kregen vorm en betekenis in die tijd en onder andere bij dat bedrijf. Begrippen als duurzaamheid, biologisch, crowdfunden en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Het interview dient zich op deze zaken en de genoemde periode te richten. Het loopt anders.

De studie die hij volgt voordat hij bij het bedrijf gaat werken, mislukt, zoals hij zelf zegt. Misschien om revanche op zichzelf te nemen, begint en voltooit hij later drie universitaire studies. De laatste is mediëvistiek, de wetenschap aangaande de middeleeuwen. Binnen dit vakgebied promoveert hij op de geschriften van Adémar van Chabannes, een elfde-eeuwse monnik.

Ik probeer me voor stellen wat de geschriften van een elfde-eeuwse monnik interessant of spannend maakt. Het lukt me niet, dus vraag ik het maar. Het spannende ligt niet aan de oppervlakte, zegt de man. Hij buigt zijn hoofd naar de tafel en focust zijn blik op een willekeurig punt op het blad. Met een wijsvinger prikt hij krachtig op dit punt. “Je moet erin! Dan wordt het spannend.” De spanning dien ik te begrijpen als wetenschappelijke opwinding, begeestering. Maar dat begrijp ik later pas. Hij pakt zijn laptop erbij en nodigt me uit met hem mee te kijken.

De zogeheten ‘notities’ van de monnik vindt hij het mooist. “Het zijn af en toe net stripboeken.” Net als voor alle andere geschriften gebruikte Adémar ook perkament voor de notities. Perkament is gemaakt van dierenhuid, dat kostbaar was en niet ruim voorhanden. De notities staan op reststukken, wat zichtbaar is aan de grillige bladvorm. Zomaar wat krabbeltjes op een stukje papier bestond toen niet. Zelfs krabbels werden weloverwogen op het perkament gezet.

Op het beeldscherm heeft de man een pagina (uit het digitale archief van de Leidse universiteit) uitvergroot. Hierop staan tekeningen van fabeldieren. Ik zie een wolfachtig wezen. Er steekt een been uit zijn bek. Tussen de tekeningen is met inkt tekst geschreven. “Waarschijnlijk met een veer. Kijk, hier zie je dat hij de veer heeft bijgepunt.” De Latijnse tekst zegt mij niks. De man legt uit. Elk nieuw detail roept vragen op en verwijst weer naar andere details en bijzonderheden. Hoe meer de man erover vertelt, hoe meer er over te vertellen is. We gaan op in het beeldscherm. Steeds dieper. Het verleden lijkt dichterbij te komen via dit duizend jaar oude handschrift. Een handschrift dat onregelmatigheden heeft zoals elk hedendaags handschrift die heeft. Mensenwerk. Nog even en ik hoor het krassen van Adémars veer. Maar ik moet gaan.

Sommige dingen blijven.
terug

verder

kijken