Democratische interieurs

- 10 May 2018 door Edwin Timmers -

Ook de meest experimentele nieuwe muziek is gefundeerd op oude muziek. Al is het alleen maar dat de muziek van weleer als springplank dient voor de componist, als dat waarop hij of zij zich afzet, dat van waaraf de kunstenaar de sprong waagt. De iets minder experimentelen recycleren delen van oude muziek, of dat nu fragmenten, klankbeelden, ritmische eigenaardigheden of akkoordenprogressies zijn.
De Braziliaanse componist Ricardo Eizirik gaat letterlijk met recyclage aan de slag. Hij struint over stortplaatsen op zoek naar bruikbaar materiaal. Hij neemt afval mee naar huis en integreert de klankmogelijkheden ervan in zijn composities. Het resultaat vergt geoefende oren of een volstrekt open geest of allebei. Hij gebruikt wat werd weggegooid. Hij zet het gevonden voorwerp in als instrument. De klanken ervan krijgen een plek in het spectrum van het klassieke instrumentarium. Dat wat niet als welluidend te boek staat, wordt zo alsnog gehoord. Een Stradivarius klinkt samen met een afgeschreven plastic object. Elke stem telt; democratische muziek.

Het gevonden voorwerp kreeg door Marcel Duchamp, Picasso en anderen een plek in de beeldende kunst, letterlijk, dus niet als instrument, maar als materiaal in het kunstwerk. Duchamp plaatste een poselijnen urinoir met zijn rug op de grond en Picasso plakte een foto van een uit riet gevlochten zitvlak van een stoel in een schilderij.

Robert Rauschenberg schilderde in de zestiger jaren van de voorbije eeuw ‘vuile’ kleuren tegen elkaar in een schilderij. Geen frisse combinatie van sprekend rood, blauw en geel, maar bruinig groen dat vloekte met rood-paarsige roest. Rauschenberg gaf alle kleuren evenveel ‘stem’: gebruikte kortom een democratisch palet.

Dat alles, dus ook het vermeend lelijke, een ‘stem’ krijgt in de kunst, wordt tegenwoordig als postmodern betiteld. Alles kan en alles mag, zo luidt volgens velen het motto van het postmodernisme. Maar als alles kan en alles mag, is nog niet gezegd dat het eindresultaat werkt. Of iets werkt, is een geheim dat niemand kent. Niet iedereen die zich nergens iets van aantrekt tijdens het maken van iets (en dus vertrekt vanuit het principe dat alles maar moet kunnen) is een kunstenaar.

Of de interieurs van Tribe kunst zijn, mogen anderen beslissen. Wel geeft Tribe veel vergeten materialen opnieuw een kans in onorthodoxe combinaties. Oude tegeltjes met op Delfts blauw geïnspireerde prints naast gelamineerd spaanderplaat uit de seventies: als je ze koud tegen elkaar zet, is het niet zeker dat het werkt. Maar Tribe schuift en schaaft net zo lang tot elk element meeklinkt in de integrale compositie. Democratische interieurs.
terug

tot

elk

element

meeklinkt