Dikkop

- 08 March 2019 door Edwin Timmers -

Ik ken aardig wat mensen die ontzettend uitkijken naar carnaval. Hun blik staart verlangend de nabije toekomst in als het volksfeest ter sprake komt. Lang geleden haakte ik af, maar ik heb het vaak genoeg meegemaakt om hun blik te herkennen. Vier, vijf of zes dagen achtereen buitenproportionele hoeveelheden drank innemen. Een hele prestatie. Dat doet wat met een mens. Hoe vergaat het de volhouders in de ochtend van de laatste carnavalsdag? “Overal genoeg brakke lui,” antwoordde een Bossche vriendin in een appje. Ze tipte de Azijnfabriek. Daar zouden vanaf een uur of elf vele echte Oeteldonkers zich verzamelen voor het een of ander.
Een lichtgrijze dag, weinig volk op straat, sowieso geen straatrumoer. Stipt elf uur zet ik mijn fiets tegen de muur van de voormalige Sint-Jacobskerk aan de Bethaniëstraat in de Brabantse carnavalshoofdstad. In het achterste gedeelte van dit godsgebouw-buiten-dienst is Podium De Azijnfabriek ondergebracht. Ik volg een paar fleurig uitgedoste dames naar binnen. Bij het ophangen van mijn jas vertellen ze me dat het hier zometeen heel druk zal worden. De band Piep & Blaas zal er optreden. Ik ben trouwens een van de weinigen die zijn jas weghangt.

Vijftien mensen inclusief barpersoneel staan verspreid over de zaal met hoge, niet geblindeerde ramen. Binnen is het zowat even licht als buiten. In het halfronde koor achterin is een laag podium geplaatst. Tegen de zijkanten van de zaal zijn stevige tafels geplaatst. Stoelen zijn elders ondergebracht. De ruimte is louter functioneel en een tikje aftands, een gymzaal lijkt het, waarin al jaren niet meer gegymd wordt. Nauwelijks versiering. Hier maken mensen de sfeer, vermoed ik.

Ik bestel een koffie, die in een kopje zonder schotel uitgeserveerd wordt, en neem plaats op een van de tafels naast een aardig en praatgraag stel van mid-vijftig. Hij heeft een ondernemersblik, een licht zorgelijke en alerte oogopslag op een verder neutraal en open gezicht. Een rechte rug. Zij is in alles zijn back-up en legt me uit wat carnaval in Oeteldonk behelst. Kort samengevat: de echte vierder wil het niet missen. Haar neef verhuisde naar Monster, boven de rivieren, en moet het vanwege werk met pijn in zijn hart missen. Mijn gedachten dwalen af naar de fantastische plaatsnaam, die een verzamelplaats van afgrijselijke wezens oproept. Daar net als de neef les te moeten geven lijkt me een flinke stap.

De eerste pinten zijn reeds getapt. Ik zie geen katerige koppen, wel veel frisse. Ik complimenteer mijn gesprekspartners met hun wakkere tronies. Kwestie van vroeg beginnen en vroeg naar bed, verklaart de vrouw. Hoewel, gisteren waren ze bij uitzondering pas om acht uur thuis. De klok rond slapen, dat zal het geheim zijn. Aan mijn andere zijde staat een grote man met een flinke bos krullen zijn viool te fotograferen. De snaren van het ding zijn gebroken. Er klinkt geen muziek in de zaal. Ondertussen blijft vers volk binnenlopen. Op een paar uitzonderingen na allemaal in Oeteldonkse kledij, dat wil zeggen, uitgedost op basis van veelal een pandjesjas. En heel veel fraaie hoofdeksels.

Ik draag een goudkleurig colbertje op een azuurblauw T-shirt met witte opdruk en heb een verfomfaaid fosforescerend groen cowboyhoedje op mijn hoofd. Ik val op, wat niet mijn bedoeling was. Volk bekijkt me als een vreemde terwijl dat volk er verre van alledaags uitziet. Zij doen in beginsel nagenoeg allemaal hetzelfde en onderscheiden zich in de details. De versierde pandjesjas lijkt een humoristische veruitwendiging van hun karakter. Voel ik mezelf een gouden kerel in mijn colbertje? Ik hoor er niet helemaal bij, maar dat zal me de spreekwoordelijke reet roesten en bovendien denkt het volk er zichtbaar hetzelfde over.

Tijd voor een pint. Naast me staat een vrouw met een rokerige adem te proberen zes jonge klare in een keer mee te nemen, wat niet lukt. Haar adem roept wat wakker.

In de rooktent buiten wordt veel gepraat. Weinig van het gesprokene beklijft, wat niet erg is, want het is geen productieoverleg en er vallen geen ontslagen. Ik zet mijn pint op een tafel. Iedereen weet dat een glas bier niet gelabeld is. Mijn glas is precies hetzelfde als de glazen van de andere rokers. Terwijl ik een sjekkie draai zie ik dat een ander mijn glas van tafel pakt en aan zijn mond zet. Zijn eigen glas wordt beheerd door een vrouw naast hem. Ze vraagt zich niet af waarom ze in beide handen een glas bier heeft. Het onderscheid tussen mijn en dijn verdwijnt hier snel. Weet je, troost ik mezelf, binnen hebben ze nog genoeg.

Na de peuk is het binnen aanzienlijk drukker. Muzikanten druppelen binnen. Met een nieuwe pint in de hand begeef ik me richting podium. Ik moet al een beetje wurmen, we komen steeds dichter op elkaar te staan. Piep & Blaas is een grote band, ik schat ruim twintig vrouwen en mannen. Ze hebben de tijd. Op het podium praten ze geanimeerd met elkaar en met de mensen voor het podium – alsof ze elkaar sinds gisteren al lang niet meer gezien hebben. Onderscheid tussen podium en zaal is er eigenlijk niet. Overal schieten armen en vingers de lucht in, iedereen wordt gegroet. Boem! Uit de speakers klinkt muziek, niet van de band, maar van plaat. De muziek sorteert meteen effect: gezichten klaren op, het drinktempo neemt toe en het deinen en meezingen begint.

De gemiddelde leeftijd van de aanwezigen ligt boven de vijfenvijftig. Veel ondernemersgezichten, waarvan vele een extra zweem van relatieve zorgeloosheid hebben, misschien omdat ze de schaapjes al goeddeels op het droge hebben. Ze zijn binnen. De rechte ruggen versoepelen, de goddelijke combi van bier, muziek en ongedwongen samenzijn begint te werken. Het volk ontspant zich. Ik ruik zweet en urine. Of het daadwerkelijk pies is, heb ik niet nagevraagd. Wel weet ik dat vier of vijf dagen zuipen en deinen zijn tol eist, al is het maar van het kostuum. Schoon ondergoed zullen de meesten wel aantrekken; het kostuum wordt hoogstens een paar uur uitgehangen in de Bossche alcoholsmog en wildplasdampen.

Ik begin mezelf letterlijk te verliezen, langzaam ga ik op in de zacht deinende massa, ik merk het aan mijn concentratie. Ik voel me plaatsloos, ik ben waar ik sta, ik sta op het podium en sta tegelijk op de tafels achterin. Ik word onlosmakelijk deel van het geheel, dat als een lodderig organisme begint te golven. Op het podium ontwaar ik een kleine als nar opgetuigde man met een grote haakneus op een lachend gezicht van glanzend plastic. Een afgevaardigde uit Monster? Een zowat kale kerel gaat recht voor me staan, ik kan zijn haren tot op de wortel tellen. De nar is weg en mijn glas is leeg. Ik wurm me met grote inspanning naar de bar.

Lichte paniek onder het barpersoneel. Uit een van de drie tapkranen komt geen bier meer. Gelukkig uit de andere twee nog wel. Kwart over twaalf, de band is compleet en begint. Ze hebben ieders aandacht. Opnieuw besef ik dat ik hoempa en blaasmuziek heel lekker vind. Harde muziek, onontkoombaar. Een deel van het volk is op de tafels gaan staan. Woordeloze melodieën worden door iedereen die nog een stem heeft mee gelald – carnaval is het feest van de lalalala – bierglazen worden de lucht ingestoken, mensen beginnen elkaar te omarmen. Ik heb nog meer te doen, ik moet weg, want anders, ja, wat anders.

Bij de garderobe speldt een vriendelijke dame een guitig frutseltje op mijn colbert. Er hangt een briefje aan waarop ‘Uit de Oeteldonkse Kweekvijver’ is geprint. Vanaf nu hoor ik erbij, ofschoon nog een dikkop, een oetel in opleiding.
terug

een

petel

in

opleiding