Een ander interieur, een nieuw publiek

- 08 February 2018 door Edwin Timmers -

Kijk om je heen en zie dat ruimtes permanent van functie veranderen. Hier op de hoek werd tien jaar geleden een juwelierszaak omgebouwd tot kapsalon. Sinds twee jaar wordt er brood verkocht. De bakker schoof twee panden op. De voormalige bakkerij is nu een kledingzaak. Ik geniet van die verandering, vind het prettig om aan de hand ervan terug te denken.
Zaterdagavond zag ik de fantastisch mooie speelfilm Three Billboards in het Eindhovense culturele centrum NatLab. Het gebouw dateert van omstreeks 1913 – wat ik me nauwelijks kan voorstellen afgaande op het strakke, nog immer niet gedateerde design. Philips bracht er zijn natuurkundig laboratorium in onder, vandaar NatLab. Ooit was het een wereldberoemde broeiplaats voor technisch creatieve geesten. Jaren tachtig vorige eeuw kwam de klad erin. In 2013 investeerde de gemeente Eindhoven in de complete renovatie van het pand en veranderde zijn functie.

Na de film gingen we ‘nog gauw’ wat gaan drinken. Het was reeds voorbij half twaalf, toch waren alle tafeltjes in het NatLab-café bezet. Maar drinken zouden we. Vertrouwende op de dynamiek van het publiek – en dus op een spoedig vrijkomende tafel – togen we naar de bar en bestelden. Met de bestelling in de hand, speurden we even later naar een lege tafel. Op een statafel tegen een pilaar lag een opgevouwen grijze jas. Normaliter loop ik daaraan voorbij, omdat ik weet dat mensen hun plekje ‘reserveren’ met een handdoek (bij het zwembad) of een kledingstuk. Mijn vriendin trad deze vage sociale norm zonder scrupules en zette haar drankje op het tafeltje. Ik volgde haar voorbeeld graag, net als mijn zoon en zijn vriendin. Gezellig. Maar ondertussen lag daar die jas.

Jawel hoor, nog geen drie minuten later kwam een jonge vrouw, met achter haar aan een jonge man die de drankjes droeg, naar ons tafeltje. Ze legde haar hand op haar jas en keek ons, zoekend naar woorden, veelbetekenend aan. “Dit is mijn jas,” zei ze. Ik knikte. “Die lag hier,” vervolgde ze. “Mooi,” zei ik. “Tja, euh, die jas had ik hier neergelegd,” ging ze verder. Ik kreeg jeuk in mijn hoofd en zei: “Volgens mij wil je zeggen dat wij hier weg moeten, of niet?” Ze zei dat dat eigenlijk wel zo was, ja. Mijn vriendin kwam tussenbeide: “Maar jullie kunnen gerust bij ons komen staan. Hebben we allemaal een plekje”. De jonge vrouw had daar geen zin in en liep mokkend verder naar een zojuist vrijgekomen plekje achterin. Toen ze mij passeerde liet ze het woord ‘asociaal’ extra hard klinken.

Alles bij elkaar een tamelijk zielige situatie. Onnodig ook, en zeker niet strokend met de geestesgeschiedenis van het pand. Inderdaad, als ik zo’n gebouw bezoek, gonst die geschiedenis in mijn achterhoofd mee. Ontzag voor hoogwaardige creativiteit. Ontzag dat verdampt door gezeik over een tafeltje. Het liefst sla ik mijn pint achterover en ga ik naar huis. Maar ik bleef, zoals ik te vaak blijf na zulke kleinzieligheid. Bovendien was de jonge vrouw nog niet klaar met me. Plots hoorde ik haar stem achter me. Ik keek om en ze begon haar gelijk nu in volzinnen in mijn gezicht te uiten. Een mooie vrouw trouwens, mocht dat u interesseren. Ze had geen behoefte aan mijn reactie – die ik ook niet paraat had – en wenste me, hoe ontzettend lief, een fijne avond. Weg was ze.

Dat ze een tafeltje vrij meent te kunnen houden met een jas, vind ik suf. Haar reactie getuigt daarbij van weinig zelfreflectie. Toch vind ik het stoer dat ze er nog even op terug kwam.
terug

ondertussen

lag

daar

die jas