Een duivels genoegen

- 17 July 2020 door Edwin Timmers -

Me and the devil was walkin' side-by-side – Robert Johnson –
Vorige week stond ik voor een gesloten deur. De kroeg die ik van binnen wilde zien opende pas vier uur later. Raar was dat niet, want het was maandag. Wie niet voor verrassingen wil komen staan, gaat niet op de bonnefooi. Dinsdag jongstleden was de voorbereiding iets grondiger. Maar dat bleek geen garantie. John van Tribe stelde voor een pintje te gaan drinken bij de watertoren in Den Bosch. Sinds een paar jaar is Café Herman in dit 135 jaar oude bouwwerk gehuisvest. John is er enthousiast over en enthousiasme moet je delen. We spraken af elkaar daar de volgende dag, zijnde een dinsdag, om acht uur ’s avonds te treffen. 

Een paar minuten na acht, ik zit nog op de fiets, krijg ik een spraakbericht van John. De teleurstelling in zijn stem maakt me vrolijk. Vrolijk omdat er zich waarschijnlijk iets onvoorziens heeft voorgedaan. Een gesloten deur bijvoorbeeld, wat me vaker overkomt. Inderdaad, Café Herman is dicht. Bij terrasweer zijn ze open tot 23.00 uur, maar het is geen terrasweer. Dan maar naar Bossche Brouwers op de Tramkade. Op de fiets daarnaartoe stelt John voor om naar het Mariapaviljoen te gaan. Goed gewijzigd plan, vind ik. Een minuut later zien we ook daar geen licht branden. Voor we verder gaan check ik de website van Bossche Brouwers. Yep, ook gesloten. Ik begin dorst te krijgen. We schatten in dat er aan de Korenbrugstraat toch minstens één zaak open zou moeten zijn. Krap vijf minuten later zitten we op het terras van Tapperij Het Veulen. Toch terrasweer dus, lekker zelfs dankzij een stel terrasverwarmers.
Het Veulen is geen moeilijke kroeg. Even smal als café De Palm aan de andere kant van de stad. Even smal en even bruin. Typisch is de lage bar waaraan, als een logisch gevolg, lage krukken staan. Als je met beide billen op zo’n kruk zit, kun je toch nog met beide voeten aan de vloer. Op deze krukken zullen we pas twee uur later plaatsnemen.


De barvrouw komt gelopen, een bijzondere vrouw. Een vrouw bijzonder noemen, heeft iets hautains, maar ik meen het. Haar blik is alert, indringend, heldere ogen in een vriendelijk gezicht dat tegelijk gepaste afstand houdt. Ze staat aan onze tafel en wacht. Dit staan en wachten is voldoende om ons zoetjes aan te sporen een keuze te maken. John kiest pils en ik sluit me daarbij aan. De barvrouw knikt, of misschien lijkt dat maar zo, misschien sluit ze heel even haar ogen, en draait sierlijk van ons weg om binnen de bestelling te gaan halen. Ze balanceert tussen aanwezigheid en afwezigheid, ze is er als ze nodig is. Een barprof.


“Jij bent toch eigenlijk meer van de speciaalbieren?” merkt John op. “Ik heb dorst,” reageer ik lollig. Speciaalbieren zijn benenbrekers, ze zakken als dikke pap naar de knieën, maar dat zeg ik niet. Spoedig zitten we in een gesprek over mooie dingen maken; hij interieurs en ik liedjes. Er zijn raakvlakken tussen interieurs en liedjes. Een van de raakvlakken is dat het moet kloppen. Alle dingen moeten in relatie tot elkaar op de juiste plaats staan. In die zin zijn interieurontwerpers en liedjesmakers allebei componist; de een componeert met materie, de ander met geluid. Ook tekstschrijvers componeren. Daarom plaatste ik de songtekstregel van Robert Johnson bovenaan dit verhaal.
Aan een belendend tafeltje zitten een man en een vrouw. Stamgasten vermoed ik, want hij draagt een t-shirt van Het Veulen. De kroegnaam is echter behoorlijk eigenzinnig gespatieerd:


‘TVE
ULEN


Het kan de breindeformatie van een liefhebber zijn, maar mijn eerste associatie bij deze eigenzinnig gespatieerde kroegnaam is DUVEL. En Duvel is Belgisch bier, altijd lekker en de beste onder de benenbrekers.
Het begint af te koelen, we gaan naar binnen en nemen plaats aan de bar. De barvrouw verschijnt als de geest uit de wonderlamp van Aladin. “Doe mij maar eens een Duvel,” zeg ik. Terecht meent John dat dit brouwsel teveel invloed heeft op de algehele motoriek van het lichaam. De barvrouw adviseert hem met succes een Bolleke van De Koninck en vraagt aan mij of ik de Duvel van de tap wil of uit de fles. Ze staat reeds bij een rood verlichte nis in de achterwand. In die nis is een tapkraan gemonteerd waarop het logo van Duvel prijkt. “In Den Bosch zijn wij zijn de eerste met Duvel van de tap,” zegt ze met een ondertoon waarin trots en ironie resoneren.


De roodverlichte nis intrigeert me. Het is de weerschijn, fantaseer ik, de weerschijn van het vagevuur. Fietsen wordt lastig met meerdere Duvels in de knieën, ik weet het en toch ga ik ervoor. Een duivels genoegen. Dit moet wel fout gaan.
Het ging goed. Tegen half een lag ik in mijn mandje en spoedig zakte ik op het ritme van de verhalen die John en ik elkaar vertelden weg in kort maar krachtig schoonheidsslaapje.

terug

uit de

wonderlamp

van

aladin

Horeca interieur horeca inrichting Beleving in de horeca Verhalen uit de horeca Verhalen aan de bar Café interieur Bruin café terug