Een interieur voor het levenslied

- 21 September 2017 door Edwin Timmers -

Het levenslied. Een groot liefhebber ben ik niet, maar een klassieker op z’n tijd verdraag ik best. Recent herkende ik in de achtergrond de stem van de Zangeres Zonder Naam in een liedje van Johnny Hoes en besefte dat ze dat voortreffelijk deed.
Op het terras van een frituur in het Noord-Groningse Bellingwolde klonk De Kaspische Zee van Jaak de Vocht. Een grappig liedje uit 1956 in een al even grappige frituur, die is ondergebracht in een piepkleine uitbouw van een kroeg. De bestelling in dit houten hokje verorberen was vanwege ruimtegebrek niet mogelijk, dus ik vroeg de frietbakker of we het bestelde in de kroeg mochten opeten aangezien het buiten regende. Hij zei dat het droog was op het terras en dat daar ook prima fauteuils stonden. Het was inderdaad droog op het terras en de fauteuils bleken de welbekende witte plastic tuinstoelen zonder kussentje.

Het refrein in de Kaspische Zee herhaalt twee keer achtereen “Moe, mag ik eens in de Kaspische” en sluit af met “gaan zwemmen”. Kaspische dient men te begrijpen als kast pissen. Het pissen dient men te begrijpen als geslachtsgemeenschap hebben – naast de pot pissen is overspel plegen in het Vlaams. In het laatste couplet is de zanger impotent, te oud om nog in de kast te pissen.

In een column over een levensliedje, dat is samengesteld uit citaten van andere levensliederen, las ik dit: “Het lied is een lofzang op de geborgenheid van het knusse huiskamercafé waar iedereen zich op zijn gemak kan voelen.” Ik stelde me zo’n knus huiskamercafé voor. Veel donker gebeitst hout, balken aan het plafond, zwaar behang met een druk patroon in overwegend donkerrood. De muren volgehangen met herinneringen: muziekinstrumenten, verdwaalde verkeersborden, hoofddeksels, replica’s van kitscherige schilderijen, voetbalsjaals en waarschijnlijk een stuk gereedschap van een oude ambacht. Op de spiegel en de met textiel omspannen triplex schotten achter de bar hangen foto’s en krantenknipsels. De toog is van koper, net als in Vader Abrahams kleine café aan de haven.

Terwijl ik het interieur van dit huiskamercafé probeer te beschrijven, krijg ik een ontzettende zin om er naartoe te gaan. Dat zal ik zo doen. Eerst moet ik nog zeggen waarom ik dit stukje schrijf. Welnu, het huiskamercafé zoals ik het me voorstel, lijkt in de verste verte niet op willekeurig welke huiskamer die ik in mijn leven zag. Het huiskamercafé is een herinneringendepot, alle dingen hebben een verhaal. De huiskamers die ik zag, waren soms vol, meestal sober, altijd aangeharkt en recht, en nodigden nooit uit tot drankgebruik en slap geouwehoer. Zelden hangen er buiten een stel foto’s van overleden naasten herinneringen aan de muur.

Al vanaf mijn vroege jeugd ervaar ik de meeste huiskamers als het tegenovergestelde van uitnodigend. Als ik bij vriendjes over de vloer kwam, wou ik weg. Ik gruwde van hun moeders ogen in mijn rug. Ik wou naar buiten. Nog steeds ga ik liever naar een kroeg dan naar een huiskamer. Het café is neutraal terrein: er heerst niet de persoonlijke orde van de bewoners. Aan de bar mag je ondeugende liedjes uit volle borst mee brallen, liedjes zoals De Kaspische Zee. Het huiskamercafé betekent vrijheid voor de kleine ziel die ik ben.

Is de sfeer en beleving van zo'n huiskamercafé jou op het lijf geschreven, maar zou je bij god niet weten hoe je zoiets moet realiseren. Wij bedenken en voeren datgene uit waar jij van droomt. Neem vrijblijvend contact met ons op voor een 1 op 1 afspraak.
terug

daar

in dat

kleine

cafe