Een interieur voor later

- 13 July 2017 door Edwin Timmers -

Na goed werk met een brede glimlach wegrijden bij een tevreden klant. Het overkwam me gisteren. Met een vast team van vier man maakten we een pracht van een betonvloer, spiegelglad en glanzend, in een opslagloods bij een voormalige stierenmesterij.
Er staan slechts twee huizen aan de lange weg in de polder ten noorden van de Bergsche Maas. In de schuur bij het ene huis maakten we vorig jaar een vloer. De tevredenheid van die klant is de reden dat we gisteren bij zijn buurman waren. Iedereen in de straat is tevreden over ons.

Gisteren. Ik rijd het erf op, stap uit en loop naar Kees, de klant, om wat details door te nemen. Kees draagt een spijkerbroek en een poloshirt. We schudden elkaar de hand. Al snel vertelt hij over de voormalige stierenmesterij. Heel veel werk had hij niet met de stieren, dus hij had er altijd een baantje bij gehad.

De betonpomp en de beton arriveren. In een paar uur werken we de vloer erin. Tijdens het verwerken van de tweede vracht verse beton komt er een antracietgrijs Mercedesbusje het erf op rijden. Weerszijden van de neus staan zwarte vlaggetjes. Een jongedame in donkergrijs mantelpak met een lila blouse onder het jasje stapt uit en loopt naar binnen.

Ik kijk naar Kees die ons werk vanuit de deuropening volgt. Hij slaat geen acht op de auto met de zwarte vlaggetjes. De derde vracht beton arriveert. Halverwege het verwerken ervan komt de jongedame in het donkergrijze mantelpak ons werk bekijken. Kees loopt naar haar toe, hij schijnt haar goed te kennen.

De vloer is gestort en we bereiden ons voor op de afwerking. Even later komt Kees in een donkergrijs mantelpak met een lila overhemd onder het gilet naar ons toe en vraagt of we het busje met machines even ergens anders willen parkeren. Hij moet zo meteen nog weg. Met een druk op de knop opent hij de garagedeur. Langzaam wordt een lijkauto zichtbaar.

Kees had een bijbaan bij een begrafenisondernemer die zich had gefocust op het vervoeren en verzorgen van overledenen. Ruim twee jaar geleden nam hij de zaak over en verkocht hij zijn laatste stieren. Het bedrijf floreert. Sinds de overname kocht hij drie antracietgrijze Mercedesbussen. “Maar het komt niet aanwaaien,” zegt hij. Zeven dagen in de week, vierentwintig uur per dag is hij oproepbaar. “Vannacht was ik om drie uur thuis.” Zijn vrouw en twee dochters werken ook in de zaak en verder kunnen ze een beroep doen op een flexibele schil van zes personen. De loods waarin we bezig zijn wordt de nieuwe autostalling.

Zijn dochter (in donkergrijs mantelpak) rijdt de auto uit de koele garage. Tegen de achterwand staat een stelling met kisten. “Euh, Kees,” zeg ik. “Die kisten daar, zijn die leeg?” Kees lacht en zegt dat ze niet leeg zijn. Ik slik. “Maar er ligt niemand in hoor,” drukt hij me op het hart. “Wel is het interieur er al in aangebracht. De meeste vrij standaard, maar er zitten er paar bij die echt heel fraai zijn. Wil je die zien?” Ik twijfel een moment en besluit dat ik nog wel een paar jaar kan wachten. “Nou, nee hoor,” zeg ik, “dat zie ik tegen die tijd wel. Tis meer een interieur voor later, zeg maar.”
terug

van

alle

markten

thuis