Een les voor een lifter

- 12 October 2017 door Edwin Timmers -

Wat is het verschil tussen de lifter en de wolf? De wolf is terug in het straatbeeld en de lifter is er nagenoeg uit verdwenen.
Ik heb niet heel veel gelift, maar wel genoeg om te kunnen zeggen dat dat altijd spannend was. Vooral tijdens lange afstanden, want wat heb je elkaar na tweehonderd kilometer nog te vertellen? Ik nam wel eens lifters mee, wat om dezelfde reden spannend was. Wel had ik als autobezitter geleerd de ongemakkelijke stiltes te accepteren en het mijn onbekende passagier naar de zin te maken. Heel veel ongemakkelijks is te vermijden door gewoon wat te praten. Soms neigt de rit naar een interview, maar evengoed wordt het een gesprek. Ik denk dat een florerende liftcultuur bij een gastvrije samenleving hoort.

Twee jaar geleden reed ik rond elf uur ’s avonds van Nijmegen naar huis. Bij een bushalte nabij Dukenburg stak een jongeman zijn duim omhoog. Ik stopte en zag hem in de achteruitkijkspiegel naar mijn auto rennen, een rugzak aan zijn schouder, beukend tegen zijn achterwerk. Hij opende de deur en vroeg me waar ik naartoe ging.

“Is dat bij Den Bosch,” vroeg hij. Ik zei dat het vlakbij is. “Dan ga ik denk ik naar Den Bosch,” zei hij. Ik vroeg hem waar hij dan eigenlijk naartoe moest. Hij vertelde me dat hij weg wou, liefst zo ver mogelijk. “Heeft u een minuutje, dan bel ik even,” zei hij. Niemand nam op. “Is Den Bosch vlakbij Oss?” vroeg hij. Ik knikte en hij belde. Dit keer nam wel iemand op. Hij vroeg de persoon aan de andere kant van de lijn op er nog plek voor hem was. Er was geen plek voor hem. “Misschien moet ik dan toch maar naar Den Bosch gaan,” zei hij licht teleurgesteld.

Ik schatte hem een jaar of tweeëntwintig. Hij had een zachte, naïeve blik en was een tikkeltje verward, hij overzag het niet. Ik vroeg hem waarom hij zo laat nog uit Nijmegen weg wilde.

Die middag bleek hij zonder iets te zeggen te zijn vertrokken uit een opvanghuis hier in de stad. Daar had hij een slaapplaats en wat eten. Hij had er genoeg van, hij wou verder. Eerder die week was hij vertrokken uit zijn woonplaats ergens in het noorden van het land. Ik had met hem te doen en vroeg hem of de mensen in het opvanghuis slecht voor hem waren geweest. Dat was zeker niet het geval. Maar hij schaamde zich omdat hij zonder iets te zeggen was vertrokken.

Hij vroeg me of ik nog even wilde wachten en belde vervolgens nog een keer naar Oss en Den Bosch met hetzelfde resultaat. Ondertussen had ik over zijn doen nagedacht en naar een oplossing gezocht omdat ik hier niet heel veel langer wilde blijven staan. “Als je nou eens belt naar de opvangplek hier en hen vraagt of je terug mag komen,” probeerde ik. Hij aarzelde en schudde zijn hoofd: “Nee, dat kan ik niet.”

“Je wilt toch verder?” vroeg ik hem. Hij knikte. “Volgens mij kom je verder als je nu terug gaat,” zei ik. Zijn ogen lichtten op. “Denkt u dat echt?” Ik knikte en zei: “Nu loop je voor iets weg. Door terug te gaan en die mensen opnieuw onder ogen te komen, doe je iets wat meer van je vraagt dan je nu denkt te kunnen. Dat zal je verder brengen.” Ik schrok oprecht van mijn eigen woorden en nog steeds weet ik niet waar ze vandaan kwamen.

De jongen besloot terug te gaan en nam mijn hand in zijn beide handen. Hij was blij, bedankte me meerdere malen en sloot het portier. We zwaaiden en ik gaf een dot gas. Net voordat ik de koppeling liet opkomen, trok hij het portier open. Ik liet het gaspedaal los. “Heeft u misschien een slokje water voor me?” Ik keek de auto rond en gaf hem het volste van de twee aangebroken flesjes die ik vond. Hij dronk het in een teug leeg en gooide zwaaiend de portier toe. Toen ik weer op snelheid was, zag ik hem in de achteruitkijkspiegel richting het centrum rennen, de rugzak aan zijn schouder, beukend tegen zijn achterwerk.
terug

denkt

u

dat

echt?