Een restaurant interieur met garagedeur

- 28 August 2020 door Edwin Timmers -

“Daar moet je eens gaan kijken,” zei een vriendin. “Ik ben benieuwd wat je ervan vind.” Haar tip had me nieuwsgierig gemaakt. Daarom fiets ik naar de IJzeren Man in Vught. Een mooi tochtje, genoeg te zien.
De IJzeren Man is een recreatieplas in de bossen bij Vught, gegraven in de negentiende eeuw. Het heeft een fraai strand, sinds jaar en dag een trekpleister. Aan het strand staat een strandpaviljoen dat zich IJM noemt. Een complex van meerdere gebouwen voor horeca en watervertier. Een deel ervan is recent vernieuwd en een trendy plek naar het schijnt. Hoe het eruitziet weet ik niet, want ik sta in een rij bij een hek. Ik heb een hekel aan hekken en rijen. Dat ik in de verkeerde rij sta, merk ik pas als ik in het vieze gezicht van een knorrige vrouw kijk. Ze vindt dat ik voorschiet, wat klopt, want ik sta in het pad van de uitgang dat, door weer andere hekken gescheiden, parallel aan het pad van de ingang ligt. Alle plaatsen zijn bezet, zegt de jongen die de namen en telefoonnummers van de gasten noteert. Ik mag natuurlijk wachten, maar ik heb al geen zin meer en loop terug naar mijn brave fietsje dat lijkt te kwispelen.

Wat is dat toch met dat water? Het zal vergelijkbaar zijn met wat pleinen en open polders doen. Het rekt de tijd op. Haast lost erin op. Zo ook als ik over de dijk aan het Drongelens kanaal Den Bosch nader. Iedereen die aan haast lijdt zou deze weg moeten gaan. Het voelt als verliefdheid, maar ik geef toe dat niet iedereen het zo zal ervaren.


Krap tien minuten later passeer ik het tjokvolle terras van Buurt, een café-restaurant waar je, wilde je een plekje hebben, al moest reserveren voordat corona zich aandiende. Ik passeer het tijdelijke terras op de braakliggende plak aan het Heetmanplein en stal een minuut later mijn fiets bij Garage Pompen en Verlouw aan de Parklaan. Deze uitspanning heet garage omdat het is ondergebracht in een pand, nu een rijksmonument, dat vanaf de bouw in 1932 die functie had. Nu zit er een restaurant-café en is misschien wel de mooiste horecazaak van Den Bosch. Misschien, zeg ik.

Via het terras op een houten vlonder loop ik naar binnen en vraag aan een serveerster of ik hier een pintje drinken mag. Het mag, dus ik neem plaats aan een tafeltje tegen de hoge glazen pui. Ik kijk naar buiten, over de hoofden van de mensen op het terras, over de brede Parklaan en over de zwevende bakstenen wal die de stad van het magistrale natuur- en wandelgebied Bossche Broek scheidt. Eigenlijk is dit een rare plek voor een café. De weidsheid van het Broek contrasteert namelijk met het voorbijrazende verkeer over de laan. Rust en haast vechten hier om voorrang. Ik heb het meteen naar mijn zin. “Een pilsje voor meneer,” vraagt de serveerster. “Een pintje ja,” reageer ik. “O, sorry,” verontschuldigt ze zich. “U wilde een pintje.” Mijn benen zijn lui van het langzame fietsen. Ze hebben wat zoetigheid verdiend. “Doe er maar een stuk appeltaart bij.”

Het interieur verwijst naar de dertiger jaren van de twintigste eeuw, de tijd waarin de ‘vormentaal van de Nieuwe Zakelijkheid’ in was. Donkerrode baksteen, hoge houten lambrisering, zwaar tegelwerk, ijle staalconstructie en grote ramen. Het neigt naar retro, maar ontkomt daaraan door het gewaagde kleurgebruik. Pindakaasbruin leer om de kussens van de zitbanken en een mysterieus roze-menierode bar, waarop een donker gebeitst blad met afgeronde zijdes rust. Goudkleurige golfplaten aan de wanden en de originele garagedeuren aan het plafond. De tafeltjes vallen wat uit de toon en de bar is de blikvanger. Op de uiteinden van de bar staan dikke witte kolommen, waaraan op een onderlinge afstand van zo’n dertig centimeter drie houten planken zijn bevestigd. Op die planken staan flesjes fris, flessen wijn en glaswerk. Sommige mensen kunnen uren naar het speelse gespartel van een dikke baby kijken, of naar een nest bij hun moeder drinkende pups; ik kan net zo lang naar deze bar kijken. Maar dat doe ik niet, want een scootmobiel botst buiten tegen de houten vlonder van het terras. De kleine voorwieltjes kunnen de hobbel niet nemen. Op het voertuig zit een keurig geklede dame van diep in de tachtig. De uitbater staat erbij te kijken en krabbelt met zijn rechterhand op zijn peinzende achterhoofd. Naast de scootmobiel staat een dertig jaar jongere vrouw, de dochter van de dame, optimistisch te wezen. De dame besluit een aanloop te gaan nemen, rijdt een stukje naar achter en geeft gas. Haar blik is scherp als die van een stuntvlieger. Vervaarlijk zwenkend knots het span de vlonder op. Missie geslaagd. Nauwelijks een meter verder stapt de dame van haar karretje en loopt, druk pratend met haar dochter naar binnen. Ze nemen plaats op het plekje aan de pui dat de uitbater hen met een mooi ouderwets gebaar aanwijst.

Met mijn wijsvinger pik ik de kruimels van het bordje. Ik spoel ze weg met de laatste slok bier en sta op om bij de bar af te rekenen. Mag dat eigenlijk, bij de bar afrekenen? Een achterlijke vraag, helaas gewoon in deze schijttijd. Ik krijg geen commentaar. Op het gezicht van de dochter van de dame verschijnt een zonnige lach als ze me naar de registratielijst hoort vragen bij de serveerster. O wat mis ik de lach van guitige interactie. “Ai, had u zich nog niet geregistreerd,” zegt de serveerster.

terug

een

kwispelend

fietsje

Inspiratie voor je interieur Horeca interieur horeca inrichting Duurzaam interieur Hergebruik Beleving in de horeca Verhalen uit de horeca Industrieel interieur industriële inrichting Restaurant interieur terug