Een weigerachtig boemeltje

- 24 July 2020 door Edwin Timmers -

“Meneer, bent u bekend in Wageningen?” vraagt een jonge vader op een afgejakkerde bakfiets. In de bak spelen twee kinderen piratenschipje. Ze staan op de uitkijk. “Nauwelijks,” antwoord ik na enig aarzelen. Wat ik nog van Wageningen weet, dateert van ruim een kwarteeuw geleden toen ik er een jaar lang woonde. Toch meen ik, nu ik door het centrum dwaal, dat er in die tijd weinig is veranderd.

Vanuit Renkum reed ik vandaag Nederlands kleinste studentenstad binnen. Ter hoogte van Stadion de Wageningse Berg dacht ik opeens aan Peter – zijn achternaam ben ik kwijt. Ik woonde met hem en nog een stel anderen in een huis aan een straat waarvan ik me de naam ook niet meer herinner. Peter speelde net als ik gitaar. Hij wilde een band beginnen, ik deed mee. In zijn enthousiasme had hij drie gitaristen voor zijn ideeën warm gemaakt. Ik besloot na een repetitie te stoppen. Een dik half jaar later had de band (waarvan de naam me ontschoten is) een optreden. Peter was een gedreven kereltje, fel ook. Halverwege de set vloog hij iemand in het publiek aan. Hij kon me achteraf niet vertellen waarom, als ik dat al had willen weten.

In Wageningen liep ik indertijd een beetje vast. Niet dat ik me niet vermaakte – ik vermaakte me prima. Ik stond aan de vooravond van mijn werkzame bestaan en dat zag ik domweg niet zitten. Ik moest mijn leven weer op de rails krijgen, vonden de grote mensen, niet lanterfanten. Okay, dacht ik, maar hoezo ‘weer’ en op welke rails? Gooi me in het water en ik zwem; drop me in Wageningen en ik lanterfant.

Bij Hotel De Wereld ga ik rechtsaf de Hoogstraat in. Hier kun je winkelen. Spoedig sla ik linksaf en stuit even later op het nieuwe pand van Jongerenvereniging Unitas. Met een mooi terras op een binnenpleintje waaraan meer kroegen zitten. Jammer dat het maandagochtend tien uur is. Een paar keer links en rechts later sta ik bij de Grote Kerk op de markt. Een laatmiddeleeuwse, Gotische kerk, verwoest in 1940 en herbouwd vanaf 1942. Met de kerk werden ook de panden aan de markt verwoest. Een club van architecten uit de traditionalistische Delftse School begon, eveneens in de oorlog, met de nieuwbouw rondom de markt. Deze nieuwbouw verwijst naar een verleden dat er nooit was en geeft deze plek aldus letterlijk een unheimische sfeer. Dat mag ik wel, die sfeer, ze doet iets. Veel cafés en andere horeca hier, een paar zijn al open. Op de grote terrassen heeft een enkeling reeds zijn plekje gevonden. 

Ik loop naar binnen bij Bagels & Beans, dat geen café is, maar waar wel meer volk zit. “Jawel hoor, zoekt u gerust zelf een tafeltje,” zegt iemand van de bediening. Bij het raam zit ik goed. Verderop zitten een moeder en haar dochter. Zojuist liepen ze nog los van elkaar over de markt. Dochter belde en moeder had duidelijk een doel; haar donkerblauwe, klokkende jurk danste op het gestage ritme van haar passen. De dochter is mooi en kijkt al wat levenswijs, ofschoon ze, vermoed ik, nog maar net student af is. Moeder is ook mooi, maar minder jeugdig. Ze tuit haar lippen en wrijft ze vervolgens over elkaar, de lipsticktrick die tegelijk een oefening voor de halsspieren is. Ze kijkt niet in de spiegel als ze naar haar dochter kijkt. Weemoed in haar ogen. Nadat ze haar ellebogen op de tafel heeft gezet, brengt ze haar handen naar elkaar zodat de vingers zich op mondhoogte bevinden. Ze spreekt met mond en vingers. Ik moet oppassen dat ik niet te opzichtig naar het stel ga zitten staren. Het zou als lonken geïnterpreteerd kunnen worden, wat niet erg is, doch slechts een onjuiste interpretatie. Ik kijk nu eenmaal graag naar lunchende moeders en dochters. Ze houden elkaar ondanks de verschillen in balans. Zou hen dat niet lukken, dan zouden ze niet samen gaan lunchen. Hier is liefde werkzaam. Ze hebben elkaar nodig, dat bewijst dit moment, het ritueel van het middagmaal. De dochter staat op en loopt naar de toonbank. Meteen is moeder onthand, schichtig schieten haar ogen door de kassen. Maar daar is ze weer. Ze zet een schoteltje voor lekkende theezakjes op tafel.

"Bedankt voor het wachten," zegt de serveerster op vriendelijke enigszins verontschuldigende toon vanuit een fris gezicht, waarop niettemin een paar rode spanningsvlekjes zichtbaar zijn. Het duurde inderdaad even voordat ze aan mijn tafeltje verscheen, maar het wachten viel me niet zwaar. Er was namelijk een jongedame met een hondje binnen gekomen. Het zandstrandkleurige wezentje schrok van een voorbij rijdende rolcontainer waarop dozen stonden, waarschijnlijk vol met bagels en beans. Het hondje kefte een paar keer. Hierop begon een andere hond in de ruimte ultrasoon te janken, wat hoogst irritant was geweest als hij niet zo beteuterd had gekeken na de vermaning van zijn baasje. Ik bestel koffie en een stukje pecan pie zonder geraffineerde suiker. Niks mis met geraffineerde suiker trouwens. Zeker niet slechter dan stroop of honing, tenminste, waar het de suikers aangaat. Als de serveerster de koffie en het taartje uitserveert zoekt ze nadrukkelijk oogcontact om te zien of er irritatie in mijn blik schuilt. Die schuilt er niet, ik heb de tijd, ik lanterfant graag.

Bagels & Beans is een lunchroomketen met misschien wel honderd vestigingen. De uitstraling is Brits, in thee geweekt, en verdund met zonnige esoterie en zuiverheid. Nagenoeg alles op de kaart is biologisch, van producenten die tegelijk maatschappelijk verantwoord ondernemen. Deze vestiging heeft een prima sfeer, maar is op het tweede oog met weinig detaillering afgewerkt. Grote vlakken, gestuukte wanden afgepapt met latex in de aardkleuren omber, gele oker en het donkere bruin van vers gestoken veen. Zwarte pilaren en accenten van een schraal korstmosgroen. Een vergeten, want wit plafond waartegen pijpen en leidingen zichtbaar zijn. Een houten vloer met een goed geluid. Degelijke, houten projectstoelen die ik niet eerder zag, vermoedelijk uit de Scandinavische ontwerpersschool.

Bij het verlaten van de zaak bots ik tegen een losjes bewegende jongeman met blonde krullen op. Hij doet me aan Peter denken, vriendelijk en gehaast, bewust van de ruimte die hij inneemt. Onze aanvaring vindt hij grappig. Peter bestudeerde het gedrag van mieren en speelde gitaar. Mijn eerste liedje maakte ik in een kamer in een voormalige boerderij aan de rand van Wageningen. Een kamer in onderhuur, ik woonde te midden van de spullen van iemand die ik nooit heb ontmoet. Het liedje noemde ik Workin’ en zette me op de rails. Maar het treintje heeft een weigerachtig karakter. Een boemeltje dat graag de rails verlaat.

terug

ze

tuit

haar

lippen

Horeca interieur horeca inrichting Beleving in de horeca Verhalen uit de horeca Verhalen aan de bar terug