Egeltje

- 21 March 2018 door Edwin Timmers -

Samen met een hele nette mevrouw op leeftijd zit ik in de wachtkamer bij de tandarts. "Bent u een natuurmens?" vraagt ze, wijzend op het tijdschrift voor me. Uit haar open blik en de woordelijke verwijzing naar de foto van een egeltje in het magazine voor me, maak ik op dat ze op een gesprek aanstuurt. "Niet per se," antwoord ik. "Natuur vind ik een lastig begrip." Er verschijnt een glimlach op haar gezicht. "U bedoelt te zeggen dat natuur in Nederland altijd parkachtig is?" Ik knik. "Dat bedoel ik inderdaad. Maar ik dacht niet aan natuur bij het bekijken van dit egeltje. Het lieve snuitje trof me. Mijn moeder zei altijd dat egels hele vieze beesten zijn. Massa’s vlooien en luizen leven tussen hun stekels. Maar als ik naar zijn snuitje kijk, kan ik dat niet rijmen met viezigheid."

De vrouw haalt diep adem.
"Zo’n veertig jaar geleden reed ik met mijn man zaliger en onze jongste dochter naar kennissen in Amsterdam. Nauwelijks een half uur onderweg trapte mijn man hard op de rem. Meteen daarop hoorden we een doffe klap. Hij zette de auto aan de kant en we stapten uit. In de berm lag een opgerold egeltje, op sterven na dood. Onze dochter wilde dat we het diertje naar een dierenarts zouden brengen, maar dat weigerde mijn man. Ze was gelukkig geen dreiner en had er spoedig vrede mee. Terug in de auto vertelde mijn man haar over het niet meer adequaat zijn van het beschermingsmechanisme van de egel in moderne tijden. Als er gevaar dreigt, rolt de egel zich op waardoor zijn stekels uitspreiden. In de natuur werkt dit prima, maar het beschermt hem niet tegen automobielen."

“Inderdaad,” reageer ik. "De auto zorgt voor een nieuw evenwicht in de natuur. De egel verliest en de buizerd, die vanaf een paal aan de snelweg rustig op aangereden wild wacht, wint."
Opnieuw verschijnt een glimlach op het gezicht van de vrouw.
"Vanwege het faillissement van zijn werkgever kwam mijn man op zijn vijfenvijftigste thuis te zitten. Kerngezond en berenslim. Een nieuwe betrekking heeft hij niet meer kunnen vinden. De branche waarin hij werkzaam was veranderde in een paar jaar tijd volledig door de nieuwe techniek. Hij verbitterde, werd zo kortaf, vilein zelfs, dat vrienden en kennissen hem na enige tijd meden. Hij verdween langzaam in zichzelf. Als iemand te dichtbij kwam, beet hij woest van zich af. In een desperate poging hem uit zijn schulp te lokken, riep mijn jongste dochter een paar maanden voor zijn overlijden dat hij een egel was geworden."

De glimlach was van haar gezicht verdwenen, haar blik glazig naar binnen gericht.
"Mijn dochter probeerde nog," gaat ze verder. "Ze zei dat ze hem niet in de berm wilde laten liggen. Hij moest en zou met haar naar een dokter gaan. Hij weigerde. En dat was het. Ze is geen dreiner."
terug

was

geen

dreiner