Eten om te bestaan

- 25 May 2018 door Edwin Timmers -

"Food is reality!" roept een man met een futloze grijze paardenstaart tot op zijn billen. De man naast hem heeft een beige baseballcap op zijn hoofd en knikt. Samen kijken ze naar een groot schilderij van Neo Rauch. Stiekem kijk ik mee, maar hoe ik ook kijk, ik zie geen voedsel. "Food is reality!", herhaalt de man.


Eten is werkelijkheid. Deze op het eerste gehoor weinig opzienbarende opmerking heeft zijn wortels in de filosofie. Het bestaan van de werkelijkheid is namelijk nooit bewezen. Er is niemand die kan aantonen dat dat wat wij werkelijkheid noemen, meer is dan een gedachtenspinsel in een hoofd. De man met de paardenstaart meent dat de werkelijkheid bestaat, als eten welteverstaan. Het feit dat wij moeten eten, opgeteld bij het feit dat dat eten niet in ons hoofd zit, maar van buitenaf naar binnen wordt gewerkt, is voor de man reden genoeg om aan te nemen dat de werkelijkheid bestaat.

Ik eet om te bestaan. Dat doe ik vanuit een niet-filosofische benadering. Ik eet omdat ik honger of trek heb. Maar ik houd niet van koken. Ik zou kunnen leven van wat ik onderweg tegenkom en wat ik tegenkom hoeft niet op een bord te liggen. Wat dat betreft is het goed dat ik niet alleen woon. Het delen van een huishouding houdt me enigszins op het pad van de conventie. Anders gezegd: omdat ik samenwoon koken mijn partner en ik om beurten, zij iets vaker dan ik.

Koken is een gedoe. Wil je een maaltijd bereiden dan moet je het aandurven om twee of meer dingen tegelijk te doen. Ik benijd koks niet. Daarom kook ik simpel. Van de simpelste dingen, ontdekte ik recentelijk, vind ik aardappelen bakken het leukst en het relaxts.

Van Heidi kreeg ik een dunschiller, een stuk gereedschap waarvan ik kippenvel krijg. De aardappel, alleen het woord al maakt al iets in me los. Ik schil ze, hoewel dat gezien de smaak geen noodzaak is. Ik schil ze omdat ik een dunschiller bezit. De gejaste piepers spoel ik af in een vergiet onder de kraan. Hierna snijd ik ze geconcentreerd in dunne plakjes. De plakjes spoel ik nogmaals onder de kraan en dep ik zo goed als droog in een schone handdoek. Hierna plaats ik een groot formaat koekenpan op het vuur en smelt daarin veel boter – het bakken van mijn aardappelen neigt naar frituren. Hoog vuur, veel omscheppen.

Langzaam krijgen de plakjes een nieuwe, geel-bruine, jas. Zorg ervoor dat geen plakje aanbrandt, blijf behoedzaam scheppen. De geur is onweerstaanbaar, net als de smaak. Tijdens het bakken pluk ik plak na plak uit de pan. Mijn honger is gestild op het moment dat we aan tafel gaan. Jammer, maar de werkelijkheid is nu eenmaal onweerstaanbaar.

terug

mijn

honger

is

gestild