Hier rot de voorspoed

- 27 February 2018 door Edwin Timmers -

Als ik veel geld zou hebben, zou ik niks meer doen. Niks? Nou ja, bijna niks, hoogstens wat delegeren. Voor de tuin zou ik een tuinman hebben, voor de afwas en stoffig meubilair een poetshulp. Boodschappen doen besteed ik uit, net als koken.
Het is de motor van sappelaars zoals ik: jezelf voorhouden dat veel geld lui maakt. Natuurlijk is dat niet waar, maar je moet jezelf ergens mee voor de gek houden. Nu moet ik elke dag aan de bak, stukjes als deze schrijven, dingen bedenken, liedjes uit mijn duim zuigen. Er moet tenslotte brood op de plank en jonge klare in het glas.

Kunstenaars moeten hongerig zijn, want alleen dan overtreffen ze zichzelf en presteren zij op grote hoogte. Geef ze niet teveel geld, want daar kunnen ze niet mee omgaan, ze zouden het maar verbrassen. Zou het echt zo zijn of willen we het graag zo zien?

Ik heb twee laptops, dus arm ben ik niet. Bovendien ben ik geen kunstenaar.

Hier rot de voorspoed. Zo begint onderstaand gedicht uit de zeventiende eeuw. Ik vroeg me af wat voorspoed is. Het woord lijkt een samenstelling van vooruitgang en het werkwoord spoeden, dat snelheid, urgentie en beweging suggereert. Voorspoed duidt op een periode of toestand waarin zich plots ongekende mogelijkheden en kansen aandienen en dus ter verzilvering voor het grijpen liggen. Een inspirerende tijd, voor de kunsten, doch evengoed voor de handel en de wetenschap.

De dichter zag de voorspoed van de Gouden Eeuw verzanden in decadente protserigheid. Levendigheid en beweging maakte plaats voor verzadigde indolentie. Ik ben geneigd een lijn te trekken van de Gouden Eeuw naar de onze, geneigd parallellen te ontwaren. Tegelijk denk ik dat het zo’n vaart niet zal lopen.


Op het graf van de voorspoed

Hier rot de Voorspoed, die zo vrolijk groeide en bloeide,
tot dat de grootse Praal hem, tot zijn nadeel, ving,
in gulden zalen sloot, met zijden strikken boeide,
aan gouden ketenen en paarlesnoeren hing,
en d’Overdaad die met de Praal tezamen spande,
in ’t slikken onverzaad, in 't zwelgen onvermoeid,
hem in de wijn verdronk, aan ’t braadspit hem verbrandde.
Dus is de Voorspoed, ach! ten grave voortgespoeid,
en hij, die anderen bevrijdde voor ellende,
raakte om zijn weldoen zelf ellendig aan zijn ende.

Heiman Dullaert (1636-1684)
terug

sappelaars

zoals

ik