Hoeveel kun je kijken?

- 28 August 2017 door Edwin Timmers -

Een week geleden voer ik hier nog uit tegen televisiekijken, eergisteren hing ik zes uur achtereen tot diep in de nacht voor de buis en gisteren plakte ik er nog eens vier achteraan. Dit heeft alles met vakantie te maken. En met Netflix. Hoe het me beviel? Bijzonder goed, tot aan het verzadigingspunt.
We begonnen met Jagten, een Deense speelfilm van regisseur Tomas Vinterberg. De film zou pas na elven bij de publieke omroep (of Canvas) te zien zijn. Dat vonden we te laat, maar Netflix bleek hem ook te hebben. Heftige film trouwens. Geen horror en toch durfde ik sommige stukken bijna niet te kijken.

Hierna keken we een aflevering van de Netflix-serie Black Mirror. Een verzameling losstaande verhalen waarin onze digitale leefomgeving tot in het extreme wordt doorgedacht. In feite is het science fiction, maar heel vreemd is het allemaal niet; het zijn speculaties over de nabije toekomst. Een voorbeeld. Iedereen hoorde of las wel eens over Google Glass, dat computerbrilletje. Een aflevering vertrekt vanuit het gegeven dat ieder mens zo’n bril in zijn ogen heeft en dat alles wat we zien als filmmateriaal wordt opgeslagen. Teruggaan in je herinnering is dan een kwestie van even terugspoelen. Of het kan, weet ik niet, maar het leverde wel interessant kijkvertier op, dat bovendien tot denken aanzet. Wil ik zo’n wereld? Of is er niks te willen en is het gewoon een kwestie van tijd?

Na Black Mirror kwam ik in de kijkmodus – de anderen gingen naar bed. Het leek alsof mijn brein via mijn ogen aan het beeldscherm was vast gesmolten. Ik moest en ik zou nog meer oogsnoep tot me nemen. Per toeval klikte ik op een documentaire serie over Japanse cultuur en traditie. Voordat ik er erg in had, waren er vier afleveringen voorbij. Bizar. De afleveringen sloten naadloos, zonder onderbreking, op elkaar aan. Niettemin had ik me prima vermaakt met de overmaat aan tamelijk oppervlakkige info over Japan.

Na vijf uur was ik nog steeds niet verzadigd. Eng bijna, voor iemand die weinig tv kijkt. Ik keek mijn buikje rond met nog maar een aflevering van Black Mirror. Om vier uur ’s nachts kroop ik voldaan onder de wol.

Gisteren keek ik nog een paar Black Mirrors en een documentaire over een band. Vandaag kijk ik niks. Ik heb het wel weer gehad.

Mijn kinderen zijn geoefende serie-kijkers. Series met afleveringen die op elkaar aansluiten, maar ook sitcom-achtige series waarin telkens dezelfde mensen andere dingen meemaken. Ik proefde er wel eens van. De sitcom-achtige was ik na een paar afleveringen beu en aan een serie zoals Game of Thrones of die met die zombies begin ik niet eens. Misschien wel omdat ik bang ben dat het dan nooit meer ophoudt.

Onlangs tipte ik mijn dochter een speelfilm. Een dag later zei ze: “Ik vind films eigenlijk maar kort door de bocht sinds ik zoveel series kijk.” Een rake opmerking, die mij niet prikkelt tot een verdedigingsrede van de speelfilm.

Net als speelfilms bestaan series al heel lang. Het verschil tussen nu en dertig jaar geleden is het aanbod en de beschikbaarheid. We leven in een tijd van overdaad. Met een paar muisklikken ben je dagen achtereen zoet met aanbod van hoge kwaliteit. “Zullen we vanavond een filmpje pakken?” Ik stam nog uit die tijd. Mijn kinderen zouden kunnen zeggen: “Zullen we vanavond eens geen filmpje pakken?” Maar dat doen ze niet. Ze lijken onverzadigbaar.
terug

vanavond

geen

filmpje

doen