Home is where the heart is

- 29 March 2018 door Edwin Timmers -

De twintigjarige zoon van mijn zus en ik, we praten over de economie tijdens de afwas. Over hoe die werkt en hoe die zou moeten werken. Over robots en over de vrees ervoor, of die terecht is of juist niet. Er valt een stilte tijdens het uitruimen van de afwasmachine. Misschien zijn we wel door de gesprekstof heen. Misschien weten we er gewoon niet zoveel van. Niettemin houden de robots me nog bezig. "Zouden robots een groot huis willen?" vraag ik hem. Hij kijkt me strak aan en zegt: "Ga je nou de hele avond over robots zitten zeveren?"
Zouden robots een groot huis willen? Ik denk van niet. Sowieso vraag ik me af of robots ooit iets zullen willen. Maar goed, robots in een groot huis. De machinemens is efficiënt, met een minimum aan ruis en overbodige handelingen doet hij zijn ding. Als hij ergens zou wonen, zou zijn huis het toonbeeld van efficiëntie zijn. Het huis van een robot zou niet groter zijn dan noodzakelijk is voor zijn functioneren, waarschijnlijk niet veel groter dan een tuinschuurtje. Wat moet een robot met ruimte, met bewegingsvrijheid binnen vier muren?

Welbeschouwd hebben mensen ook niet veel binnenruimte nodig. Dit dacht ik na het zien van een korte documentaire over het verdwijnen van het Boleyn voetbalstadion in de Londense volkswijk West Ham. Het stadion met een capaciteit van 35.000 toeschouwers was de bindende factor in de wijk waar werkeloosheid en relatieve armoede heel normaal zijn. De broze economie dreef er deels op de uitgelaten supportersschare bij thuiswedstrijden. De populatie woont er in veelal krappe arbeiderswoningen en –appartementen. Ze hadden genoeg aan elkaar en hun club: West Ham United. “It’s crappy,” zegt een bewoner, een voormalig harde-kern supporter, over zijn wijk. “But it is our crap.” Het is niet per se de ruimte die mensen een gevoel van thuis geeft, het is vooral hetgeen de mensen bindt.
terug

hebben

aan

elkaar