Hooggehakte voetjes

- 19 July 2019 door Edwin Timmers -

In de trein onderweg naar het gratis Valkhoffestival in Nijmegen. We rollen station Oss binnen. Achter me in de coupe laten een stel jonge gasten hun kokende hormonen luidruchtig stoom afblazen. Ze hebben er zin in, lachen om alles. “Help!” krijst een van hen. Mijn hart slaat een slag over. Het blijkt een grapje. Twee hijgende meiden stappen in, eentje heeft zweet. Er is plek zat in de trein en dat maakt kiezen lastig. In de rit tot aan het volgende station komen ze meermaals langsgelopen totdat ze besluiten naast mij te gaan zitten aan de andere kant van het gangpad. Het meisje met het zweet haalt een bus deodorant uit haar tas en steekt die onder haar blouse. Om beurten steekt ze haar armen de lucht in om de oksels (en de coupe in zijn geheel) opnieuw welriekend te maken. Hierna beginnen ze een gesprek over wie het meest moest haasten om de trein te halen.
"En ik moest ook nog mijn fiets uit de schuur halen," zegt de ene, enigszins verbaasd over de grote hoeveelheid werk dat ze in zo’n korte tijd verzette. “Ik ook,” reageert het geurige meisje. "En ik heb ook nog gepoept!" Ze giechelen en kijken naar mij of ik het gehoord heb. Ik heb niks gehoord, ik was bezig met aantekeningen maken. “Help!” krijst de jonge gast in een nieuwe poging alle aandacht op zijn persoon gevestigd te krijgen. “Zo’n irritante gasten,” vindt een van de meiden. De omroeper meldt dat we in Nijmegen zijn. “Kom op, bitch,” maant de geurige haar vriendin. “Ja, moven bitch!” Weg zijn ze.
De krant zal een dag later zeggen dat het vandaag met 195.000 bezoekers de als vanouds rustigste dag van de Zomerfeesten is. Hoe tellen ze dat? Ik vind het trouwens niet rustig. Dikke stromen volk bewegen zich van podium naar podium, van bierstand naar bierstand. Nijmegen keert zich binnenstebuiten.

Het Valkhofpark ligt op een kwartiertje lopen van het station. Het festival in dit park programmeert al sinds jaar en dag de ‘bands van morgen’, wat niet voor elke band opgaat, want van sommige hoor je nooit meer iets. Hier zijn de lelijke eendjes van de popmuziek te ervaren. Vandaag onder andere de harcore-metalband Full of Hell. “The next song is about rejecting Jezus,” roept de zanger. De band zet in en hij begint te krijsen als een ork op de slachtbank. De jonge gast in de trein kan van hem leren.

Een dag eerder was ik hier ook. Omdat de bands me toen niet wisten te boeien, daalde ik via de trappen van het hooggelegen park af naar De Kaaij, een cultureel gebeuren met enigszins excentrieke horeca onder de Waalbrug. Hier hangt een sfeer die indaalt als een jonge jenever op een ijskoude winterdag. Alsof je uit de tijd valt en daarmee dus alle tijd hebt.

Twee studentikoze jongemannen luisterden naar een als zigeuner verklede meid die met hulp van een lesboekje tarotkaarten legde. Ze zat op een laag stoeltje tegen een in twee stukken opgedeeld stalletje dat was gemaakt van ongeschaafd sloophout en verroeste koelkastdeuren en motorkappen van auto’s. In het ene deel werd het mixdrankje Mojito aan de man gebracht en in het andere deel hingen drie mannen in westernkleding de lolbroek uit zonder een spier te vertrekken. Of deze mannen ook iets verkochten, werd me niet duidelijk. Hun verhaal was zo warrig dat de vrouw, tegen wie ze via een microfoon spraken ofschoon ze nauwelijks een halve meter van haar vandaan stonden, er helemaal stil van werd. Voertaal van de mannen was steenkolenengels. Een van de zwendelcowboys had een luchtbuks in de hand. Hij vroeg aan de vrouw wat ze ermee wilde doen. Ze haalde haar schouders op, waarop hij de luchtbuks spande en een filtersigaret in de loop schoof. Toen begon de louche man, een cowboypriester met Stetson en priesterboord, achterin het stalletje te oreren. Meer gebeurde er niet, maar de vrouw, hun enige ‘klant’, vermaakte zich prima. Entertainment in de puurste, want betekenisloze vorm.

Full of Hell raast verder. De eerste plastic beker bier lijkt rechtstreeks naar mijn blaas te zijn gestroomd. Bij de wc’s staat een andere band tekeer te gaan. Een trio dat dance koppelt aan metal, jazz en regelrechte teringherrie. Ik ben meteen verkocht en waag voorzichtig een piepklein dansje, wat ik gisteren trouwens ook deed bij een zevenkoppige Ghanese band. Van die band zag ik echter niet veel, want ik stond op een paar meter van een bijzonder viertal waar ik mijn ogen niet vanaf kon houden.

Twee mannen en twee vrouwen. Beide mannen, weinig spraakzaam en stijf in hun voorkomen, zou je kunnen aantreffen achter de gokkast van een laatste-kans-café. De vrouwen waren van Aziatische origine, te mooi – hoewel ik dat eigenlijk niet mag zeggen – voor de twee mannen in hun kleurloze koopjesconfectie. Een van de vrouwen begon een beetje met haar billen op de muziek te wiebelen. Spoedig bewogen haar hooggehakte voetjes mee. De andere vrouw lachte aanvankelijk verlegen, maar volgde na het overwinnen van haar schroom toch haar voorbeeld. De mannen wisten zichtbaar niet hoe ze hierop moesten reageren. Ze waren hier weliswaar voor de leuk, maar koesterden tegelijk hun sociale onzichtbaarheid. Na wat aarzelen gaf de kleinste zich gewonnen. Zijn kameraad deinde terug, hij leek te willen vluchten. Maar ook hij kwam over de brug. In allerijl programmeerde zijn brein een set van danspasjes voor zijn ledematen. Het resultaat was een tweetal sensueel bewegende dames tegenover twee verrast lachende houten marionetten die via onzichtbare touwtjes werden bestuurd door een aangeschoten poppenspeler met de hik. Niemand nam er aanstoot aan.

Ik loop naar de bar voor een tweede pint en steek ermee door naar het hoofdpodium waar Zeal & Ardor begint. Deze metalband liet zich inspireren door zogenaamde spirituals, muziek die zowel voor slaven als voor strenggelovige pioniers in het negentiende-eeuwse Amerika een zegen was. Muziek waarin de heer wordt geloofd. De manier waarop Zeal & Ardor de even eenvoudige als catchy melodielijnen van die spirituals in hun metal heeft verwerkt, bevalt me erg goed. De songschrijver lijkt zich te hebben afgevraagd waarom god, gezien alle ellende in de wereld, niet ingrijpt. In zijn teksten richt hij daarom maar op de duivel, wellicht dat die kan helpen. “A good god is a dead one. The good lord is a dark one.” Zo gaat het in een van de hitgevoelige refreinen. Naast me zingt een vrouw uit volle borst mee.

Om 00.40 uur stap ik in een ramvolle dubbeldekkertrein. Twee politiemannen staan te roken op het perron op een plek waar ik dat niet mag. Ik denk dat het verstandig is hen daarop niet aan te spreken. Duizenden mensen moeten Nijmegen weer uit. De ordetroepen hebben geen tijd voor mijn grapjes. Een oudere conducteur zet zijn pet recht. Ook hij is gezagsdrager. Toch is hij een tikje nerveus voor zo'n volle trein op dit tijdstip. Begrijpelijk, want de hedendaagse dronkaard heeft een broertje dood aan gezag. Ik trakteer hem op een bemoedigend knikje en neem plaats naast een driftig appende vrouw. Even later belt ze met haar vriendje om hem te vertellen dat hij niet mag appen op de fiets. “Als ze je pakken, ben je vijfennegentig euro lichter.” Waarschijnlijk sputtert hij tegen. “Ik heb nooit gezegd dat je meteen op mijn appjes moet reageren,” loeit ze tegen haar telefoon. “Nee, niet waar, dat heb ik nooit gezegd!”
terug

Volle

Borst