Jailhouse blues

- 16 August 2019 door Edwin Timmers -

Gebruik nooit het woord konijn op het schiereiland Portland. Anja en ik fietsen over een voormalig spoortracé van Weymouth naar Portland aan de Zuid-Engelse kust. Het is niet ver en het is droog, hoewel de lucht regen belooft. Daags ervoor drukte een man aan de bar ons met een ironisch glimlachje op het hart het woord konijn op het eiland te vermijden. De barvrouw groeide erop op en bevestigde de waarschuwing van haar klant. Tijdens het ontbijt vertelde een Engelse dame dat we de lunch op Portland vanwege de prima kwaliteit gerust in het Jailhouse Café konden gebruiken. Dit café wordt mede gerund door gedetineerden die worden voorbereid op terugkeer naar de maatschappij.
“Rabbit, rabbit, rabbit,” zing ik op het ritme van de pedalen op de dijk die Weymouth met Portland verbindt. Anja vraagt me hiermee te stoppen. Rechts van ons ligt Chesil Beach, een mijlenlang kiezelstrand dat in de loop van ontelbare jaren door de zee is opgeworpen. De eigenaresse van de B&B gaf ons een foldertje waarop het beginpunt van een mooie wandeling over het eiland staat aangegeven. Portland ligt als een enorm massief rotsblok in de zee en staat bekend om zijn grauwwitte kalkhoudende natuursteen, waaruit vele bekende gebouwen, zoals St Paul’s Cathedral en Buckingham Palace, zijn opgetrokken. De wandeling volgt de route waarover lang geleden de uitgehakte stenen naar de haven werden afgevoerd.

We vinden het beginpunt. Het ligt tussen een nieuw en een oud appartementencomplex in. Van het oude appartementencomplex is niet meer over dan een hoog en troosteloos betonskelet met hier en daar wat graffiti. De wandeling begint steil. Zuchtend vraagt Anja waar we eigenlijk naartoe gaan. Ik vraag haar waarom ze op vakantie wil. Ze sjokt achter me aan. Als het pad afvlakt en het uitzicht over zee schitterend is, klaart haar stemming op. Beneden ligt een dorp met huisjes aan steile straten. Even later zien we de massieve met mos en andere vegetatie begroeide muren van een fort. Het zal de gevangenis zijn. De lunch met koffie laat niet lang meer op zich wachten, hoop ik. Via een steile uit rots gehouwen trap klimmen we naar een betonnen brug over een tientallen meters diepe gracht. De brug leidt naar een strenge deur die voor ons, voor iedereen, gesloten blijft. De ingang moet dus ergens anders zijn. We lopen verder en naderen een rommelige boerderij die wordt gerund door een stel vrijheidslievende idealisten. Een plaat zegt dat er koffie geschonken wordt. De uitspanning is een barak, utiliteitsbouw, vele malen overgeschilderd.

In de eerste ruimte rechts van de gang zitten twee vrouwen en een man te wachten op spiegeleieren die de derde vouw op een bakplaat staat te bakken. Ze hebben inderdaad koffie. Twee bakkies automatentroost voor de prijs van een euro. We mogen het goedje in de ruimte aan het einde van de gang opdrinken. Deze ruimte is van een ongeëvenaarde triestheid. De inrichters lijken te hebben getracht het kleureninferno van de totale Tilburgse kermis in een ruimte van zeven bij zeven meter te proppen. We nemen plaats aan een donker gebeitste eiken tafel en staren de eerste minuten wezenloos voor ons uit. Dan zie ik een toeristenfolder met een kaartje van het eiland. Hoe ik ook zoek, het Jailhouse Café vind ik er niet op. Men zal er niet mee willen pronken. Wel staat de konijnenlegende erop, zonder de knaagdieren bij hun naam te noemen: de vervloekte rabbits zijn door amputatie van kapitalen en klinkers gereduceerd tot RBBTS. Een warrige legende trouwens.

De resterende helft van mijn koffie verdeel ik over een drietal, door voorgaande bezoekers achtergelaten bekertjes op de tafel. Anja drinkt de hare op met een van bitterheid vertrokken gezicht. We moesten maar weer eens gaan. De uitbaters zitten van hun eieren te smullen. Rustig volk, erg behulpzaam. Om in het Jailhouse Café te geraken, moeten we over hetzelfde pad terug, legt een van de vrouwen uit. Op het punt waar dit pad onder een asfaltweg door gaat, moeten we de asfaltweg naar boven gaan volgen. Een half uur later staan we na te hijgen voor de imposante uit Portlandsteen opgetrokken poort van Verne, ooit als verdedigingsfort gebouwd en nu dus een gevangenis. Schuchter gaan we de poort door en lopen verder over de weg tussen hoge muren. Nu pas zien we een bordje met pijl dat naar het café leidt.

De café houdt het midden tussen een bedrijfskantine en een gaarkeuken. De sfeer is er opgewekt en bezig als in een goedlopend buurthuis met gedreven vrijwilligers. Een enorme dame stuurt het geheel met milde hand aan. Het terras geeft een wederom schitterend uitzicht over de zee en in de verte de witte kliffen van de Jurassic Coast. “Oi chap!” zegt een van de gevangenen in de bediening als we hem passeren op weg naar een tafeltje. “Oi chap!” zegt hij als ik even later bestek ophaal bij de balie. Alle gevangenen dragen een blauw T-shirt met het ‘bedrijfslogo’. Een paar tafeltjes verderop zit een jongeman in blauw shirt met een eenjarige dreumes op schoot. Zijn gezicht geeft bijna licht van geluk. Een piepjonge vrouw zit zo dicht tegen hem aan dat ze zowat in hem verdwijnt. Het kindje is jarig, blijkt, het is met mama bij papa op bezoek. Een groter cadeau had papa niet kunnen krijgen. Het drietal blijft daar als een kluwen gelukzaligheid zitten in het halfuur dat wij hier binnen zijn. Straks moet papa weer naar zijn cel en moet mama – echt een jonge meid, zeker niet ouder dan zeventien – het weer alleen zien te rooien met de kleine op de heup. Het kindje weet niet beter. “Oi chap! See ya!” klinkt het als we vertrekken. Helaas waren mijn gedachten niet bij de prima lunch; ze waren bij mijn levenswandel, bij hoeveel geluk ik heb gehad om buiten de lik te blijven. We lopen over het rechte pad naar beneden, stappen op de fiets en waaien even later uit op het hoogste punt van dat wonderlijke, tijdsbesef tartende Chesil Beach. Opeens begint het te regenen. Rennen helpt niet, want we zijn al nat.
terug

warrige

legende