Joris Breedschot haast zich te zeggen

- 13 March 2018 door Edwin Timmers -

Joris Breedschot heeft een nieuwe auto, een Toyota Corolla uit 2003. Met drie collega's staat hij voor het raam van zijn werkkamer op drie hoog. "Kijk daar staat 'ie," wijst hij hen. Hij begrijpt de desinteresse van zijn collega's. Het vervoersmiddel is ons te gewoon geworden en bovendien doet deze auto feitelijk hetzelfde als de vorige. "Het is een schadeauto," haast hij zich te zeggen. "Maar dat zie je niet meer. Dat is verholpen." Vanmiddag zullen ze gevieren in deze auto stappen en ermee naar de plek voor de ontspannende teamactiviteit rijden. "Onthoud maar gewoon dat 'ie geel is."
Om twee uur heeft Joris de motor lopen. Zijn collega’s hebben het snel koud en dat drukt hun stemming. Veel hebben ze elkaar niet te vertellen, maar een lang gesprek over lage temperaturen is te voorkomen met een warme auto. Het is ook de toon van een gesprek over lage temperaturen die Joris niet pruimt. De Corolla heeft een cassettespeler. Billy Jean klinkt. De eerste collega, de man achter de teamactiviteit, komt aanlopen. “Mag de muziek wat zachter zo meteen,” vraagt hij. “Ik heb jullie wat te vertellen.” Joris kruipt in de auto en zet de muziek nu alvast wat zachter.

De gele Corolla rijdt met vier mannen van halfweg dertig de provinciestad uit. Joris wil weten waar de reis naartoe gaat. De man achter de teamactiviteit houdt het om begrijpelijke reden nog even voor zich. Wel vertelt hij hetgeen hij nog vertellen zou. Zijn vrouw is zwanger. Joris zet de muziek wat harder. Een collega achterin wil er alles over weten. Echt alles. “Is dit nu de vierde of de vijfde?” roept Joris boven Michael Jackson uit. Het wordt de vierde. De tweede collega achterin vraagt of een het andere zwangerschap is dan de drie ervoor. Als dat niet het geval is, heeft hij nog wel een gespreksonderwerp. De zwangerschap is niet echt anders. Wel is zijn vrouw er wat rustiger onder. “Is dat zorgwekkend?” wil de eerste collega achterin weten. Niet zorgelijk, vindt de aanstaande vader, die zich tot Joris richt: “Hier rechts en dan driehonderd meter verder nog eens rechts en dan zijn we er”.

Een man in een kleurig trainingspak komt hen op de parkeerplaats tegemoet. Hij draagt een boog en op zijn rechterbil bungelt een goed gevulde pijlenkoker. Joris heeft er zin in. Altijd al willen doen, nog nooit gedaan. Een carrière als boogschutter. Met een sigaret op de lip de uitslagen verwerken. Juichen omdat je slachtoffers hebt gemaakt. Verliezers, omdat er maar een kan winnen.

Het veld is zompig.

Joris Breedschot haast zich te zeggen dat hij geen sportman is.

Een combinatie van beginnersgeluk en inzet helpt hem aan de overwinning. Zijn collega’s gunnen het hem. “Nu hebben jullie waarschijnlijk wel behoefte aan wat sterkers,” polst de booginstructeur. Geen van de vier heeft die behoefte. Joris krijgt een certificaat. “Mag het wat warmer in de auto zo meteen,” vraagt de collega die over ruim zeven maanden voor de vierde keer vader wordt. Een andere collega hoopt echter dat Joris het niet te warm maakt. “Ik word namelijk snel wagenziek en ben al een beetje misselijk.” De instructeur zwaait uitbundig als de gele Corolla van de parkeerplaats rijdt. In zijn zwaaiende hand heeft hij de boog, in de andere een fles bier.
terug

een

echte

cassettespeler