Kanaalmensen

- 16 May 2019 door Edwin Timmers -

Gaan of niet gaan, dat is de vraag. Ik heb een kaartje voor Pokey LaFarge in de kleine zaal van de Nijmeegse poptempel Doornroosje. Het is zo'n lauwe zondag en morgen weer vroeg op. Gedoe ook, met de trein en zo. Ik kan met de auto gaan, maar dan kan ik het glas niet heffen met bekenden die ik er misschien wel tref. Pokey LaFarge speelt solo, wat de twijfel niet minder maakt. Een man met alleen een gitaar op een groot podium spreekt me niet zo aan. Een vriend vertelde me dat zijn shows met complete band erg goed zijn. Hij zag het gezelschap al vijf keer en wil het hem in elk geval een keer solo zien proberen. Daarom kocht ik ook maar een kaartje. Gaan of niet gaan dus. Nou? Gaan dan maar. Heb ik de kleine zaal van Doornroosje ook eens gezien.
“Die kwam van de meid af.” Het is meteen grappig in de NS Sprinter. In de randstad begrijpen ze ‘van de meid afkomen’ als afrollen na seks. Een Brabander wil er mee zeggen dat een kerel bij zijn vriendin vandaan komt. Schuin achter me zitten twee mannen sappig te ouwehoeren met een blik bier in de hand. Ik probeer het gesprek te volgen terwijl ik mijn mobiel erbij pak om wat te googelen.

“In de 19de eeuw boden niet alle plekken in het theater zicht op het podium.” Dit zocht ik. “Daar deed men niet zo moeilijk over, omdat het niet alleen om de voorstelling ging, maar ook in grote mate om het sociale gebeuren daaromheen. Theaterbezoek was tot en met de 19e eeuw een zaak van 'zien en gezien worden’. Nu wordt van het publiek stilte verwacht. Toen was dit heel anders: de toeschouwers liepen in en uit, praatten, aten en dronken tijdens de voorstelling. Vooral het gewone volk was vaak rumoerig.”

Een poptempel is niet hetzelfde als een theater. Toch wordt de laatste jaren zelfs bij popconcerten verwacht dat het publiek stil is, zeker bij solomuzikanten. Ik moet hier erg aan wennen, want een ‘band’ gaan kijken, is voor mij een sociaal gebeuren. Een avond uit, mensen ontmoeten en met een zak verhalen huiswaarts. De artiest is de aanleiding.

“Ajax is de beste!” roept een gast in een coupé verderop. “Jeuj!” roepen zijn maten.

Een van de twee mannen schuin achter me is stratenmaker. Hij overweegt de aanschaf van een nieuwe trilplaat. De manier waarop hij de prijs voor zo’n ding verklapt, verraadt dat hij het heel veel geld vindt. “En dan heb je nog niet getrild, hè. Dan heb je gewoon een kale plaat.” Ook wil hij een kiepkar, liefst een nieuwe, want dan weet je dat het goed is.

In Oss stappen de Ajaxfans uit. Ze heffen een woordeloos lied aan, slome keelklanken. Een guitige veertiger met het syndroom van Down richt zich vanaf het perron tot mij en zingt zijn versie van het lied. In zijn rechterhand bungelt een halveliterblik Heineken. Hij sluit zich weer aan bij zijn maten die allemaal een blik bier dragen. Doorzakken in de Sprinter. De rijdende horeca van de NS.

Een paar minuten voor acht: Doornroosje is al wakker. Er staat een rijtje voor de garderobe. In de schaars verlichte foyer is het rustig. De stand met merchandise van Pokey LaFfarge is nog onbemand. Een zestal gasten wachten op hun beurt voor de kleine bar. Ik loop door naar de zaal. Twee bars hier. Een vriend noemt de zaal anoniem, geen eigen karakter. Alle nieuwe zalen zien er volgens hem zo uit. “Evengoed ben je hier in Eindhoven. Of Tilburg.” Toch heeft de zaal wel sfeer. De wanden, de vloer, de plafonds, de lange gordijnen: bijna alles is zwart. Waarschijnlijk om middels het podiumlicht alle aandacht op het podium te concentreren. Daar moet het gebeuren, tenminste, dat is de opvatting van de ontwerpers van deze zalen.

Zo’n veertig mensen zijn reeds binnen. Geroezemoes, uitgesproken woorden, gepraat dat als een warme deken in de lucht hangt. Er klinkt geen muziek. De gemiddelde leeftijd van het publiek is rond de veertig, schat ik. Er zijn wel jongeren, maar niet veel. Het wordt snel drukker. Flink wat mannen hebben een keurig gekapte baard. Barbershopklanten in fiftieskleding. Vrouwen in King Louie-jurkjes.

Het voorprogramma is lang niet slecht, maar verbleekt in het licht van Pokey LaFarge. Vanaf de tel dat hij het podium betreedt, hangt het publiek aan zijn verschijning. Zijn eerste woorden spreekt hij pas na drie liedjes. Een paar woorden bij wijze van welkom. Bijna twee uur lang weet hij, een man met niet meer dan een gitaar en een soepele, krachtige stem, het ruim driehonderdkoppig publiek tot in de kleine teen te boeien. Dit had ik niet verwacht. Erg goed. Blij dat ik ging. En ik kwam nog twee vrienden tegen ook.

Pokey zingt nogal eens over rivieren. De rivier als metafoor voor de voortschrijdende tijd. De wilde rivier als metafoor voor het ruige leven, buiten de oevers treden, grenzen overschrijden, nieuwe wegen zoeken. En de rivier als rivier, als aardkundig verschijnsel waaraan je huis kan staan, als watermassa waarin je de zon ziet wegzakken. Ik vertelde tegen mijn vrienden dat ik misschien wel een kanaalmens ben omdat ik al zo’n dertig jaar in een dorp aan zo’n watergang woon. Een kanaal is gegraven, het water wordt erin op peil gehouden. Een kanaal is nooit wild. Een van de twee barst in lachen uit. “Ha, ik ben ook een kanaalmens!” roept hij. Meteen reageren een paar mensen naast ons met potig gesis. Koppen dicht is de boodschap. Ik ga maar eens bier halen.

Op de terugweg van de bar naar de plek waar we staan, stoot ik kennelijk te hard, doch zonder opzet, tegen iemand aan. Achter me staat een kerel zich in ieder geval enorm druk te maken. Iedereen die wel eens een concertzaal bezoekt, weet dat je dicht op elkaar staat. Strompelend, wringend en struikelend begeef je je tussen alle warme lijven door naar de wc of de bar. Iedereen weet dat, want iedereen heeft het ervaren. Deze kerel blijkbaar niet, dus ik draai me om en vraag hem wat er aan de hand is. Hij kijkt me behoorlijk opgefokt in de ogen en zegt dat ik wel erg fors tegen hem aan stootte. Ik bied mijn excuses aan, maar die wil hij niet. Dus ik zeg dat ik hem per ongeluk aanstootte en biedt nogmaals mijn excuses aan. Zijn vrienden beginnen hem over zijn schouder te aaien (“Rustig nou, Ruudje”) en zijn vriendin staart schaapachtig voor zich uit. Zou ik hem een kusje op de zere plek moeten geven? De zeikerd! Ik biedt nogmaals mijn excuses aan en focus me weer op het podium, waar de show gewoon doorgaat.

Tegen het einde steekt Pokey de loftrompet over de zalen in Nederland, specifiek Doornroosje. Hij voelt zich er welkom, hij wordt er in de watten gelegd met goed eten en drinken, een luxe voor toerende muzikanten, en hij wordt er omringd door even prettige als professionele geluids- en lichtmensen. Hij vindt het publiek heel netjes, men applaudisseert als een liedje is afgelopen en men zwijgt als hij iets zegt. Hier botsen twee ervaringen. Ik geef de voorkeur aan een rumoeriger live-gebeuren, meer botte interactie. Misschien moet ik mezelf scharen onder het negentiende-eeuwse gewone volk, misschien ben ik toch meer een riviermens dan een kanaalmens.
terug

gaan

of

niet

gaan