Kleine lettertjes

- 14 March 2019 door Edwin Timmers -

Omdat we er niet te zwaar aan moeten tillen, zeg ik nu alvast dat het alweer gezakt is. Maar ik stapte niet bepaald hooggestemd op mijn fiets richting Den Bosch. Grauwe luchten, een permanente dreiging van regen en veel wind. Toch kon dat me niks schelen. Regen maar, dacht ik, waai maar. Eigenlijk kon niks me iets schelen, zo’n bui. Ach, beloofde ik mezelf, het trekt wel weer over, gewoon stug doortrappen en je fietst er zo doorheen. In Den Bosch is trouwens afleiding genoeg.
Ik zet mijn fiets tegen een winkelpui en lees de krant in de etalage. Een man geeft de kerk ergens de schuld van, staat er in grote letters. Het is een krant van drie weken geleden, het uitstalraam is ermee behangen. De winkel ondergaat een make-over, maar dat besef ik pas nadat ik mijn neus tegen de ruit stoot als ik de kleinere letters wil lezen die me hopelijk gaan vertellen waaraan de kerk zich schuldig heeft gemaakt. Snel kijk ik om me heen. Niemand zag mijn klunzige kopstoot.

Fietssleutel in linker broekzak, herhaal ik binnensmonds als ik een paar meter verderop de lunchroom Bagels & Beans binnenstap. Een knus zaakje met grote ramen. Ik mag gaan zitten waar ik wil, zeggen de drie nimfen van de bediening in koor. De vraag is echter wat ik wil. Aan een klein tafeltje bij het raam of aan de lange tafel waaraan reeds een krant lezende knappe eind-vijftiger en een stelletje doodgewone dertigers zitten? Ik kies voor het kleine tafeltje omdat ik dan kan meeluisteren met twee jonge vrouwen aan het tafeltje ernaast.

Er hangt een warme broodgeur en er klinkt slappe jazz. Mijn jas hang ik op de rugleuning van mijn stoel. Ik heb een boek bij me over de kunstfilosofie van Hegel. Het stond jaren ongelezen in de kast, rustig op zijn beurt te wachten. Een moeilijk boek, vreesde ik. Maar ik kan er niet meer omheen nu mijn zoon zich op de kunstfilosofie gestort heeft. Ik moet mee.
Een van de drie nimfen komt de bestelling opnemen. Ze heeft smalle wenkbrauwen in zacht oranje die boven vriendelijke grijs-blauwe ogen zijn gebeeldhouwd. Op haar hoofd een haarfontein in dezelfde kleur. De andere twee bediendes hielpen de natuur een handje en verfden hun haar in een roodtint. De eerste koos voor mahonie en de tweede waagde zich aan fel rood. De kapsels van het drietal doen me denken aan de werken van Jugendstil-kunstenaar Alphonse Mucha.

Ik sla het boek open op een willekeurige pagina. Terwijl ik een paar zinnen lees, luister ik naar de jongedames aan het belendende tafeltje. “We hebben het alleen maar over context,” zegt een van hen. “Maar hij is wel een supergoeie leraar.” Ik schrijf haar woorden op, want ik kan wel wat context gebruiken. Hegel schrijft over een aap die een kunstwerk stuk knaagde. De primaat had een perfect nageschilderde meikever voor echt aangezien. Feitelijk is dit destructieve knaagwerk een compliment aan de schilder, aldus Hegel, die weigert dergelijke kunstwerken, die de natuur nabootsen, als echte kunst te beschouwen. Vakwerk, maar geen kunst. Ik kijk eens om me heen en zie dat zowat het hele interieur een nabootsing is van antieke horecazaken met gebruikssporen. Het voelt goed, maar de slijtplekken zijn niet door het gebruik ontstaan.

De nimf met de zacht oranje haarfontein brengt mijn koffie en mijn vegan-taartje met een topping van pecannoten. Prompt maakt de jazz plaats voor een lichtvoetige Franse chanson, waarin een melancholisch gestemde zangeres de melodie als een aangeschoten mus hulpeloos door de ruimte laat fladderen. Buiten dwarrelt blad en afval over een verharding van natuursteen. Mannen en vrouwen zetten de kragen van hun dikke jassen op. Mijn gedachten dwalen af naar de Poolse in schitterend zwart-wit geschoten film Cold War, een aanrader, die deels in het na-oorlogse Parijs speelt. De vrouwelijke hoofdpersoon probeert heel even carrière als chansonnière in de lichtstad te maken. Een film over liefde van het hartverscheurende soort. Loopt niet goed af. Ik kijk nog eens door het grote raam naar buiten. Waar zijn de kleuren gebleven? Mensen in donkere kleding lopen voorbij. Ze kunnen me zien, ik zit in een etalage.

“Hoeveel tijd steek je in je huis, in je werk, in je studie?” vraagt de ene jongedame aan de andere. Een vraag die ik nog nooit aan iemand gesteld heb. Waarom zou ik van iemand willen weten hoe hij zijn aandacht over de dag verdeelt? Als je die vraag stelt, moet je op zijn minst een mild bijsturend antwoord achter de hand hebben. Hebben jongedames altijd coachingsgesprekken?

Hoeveel tijd steek je in je huis, in je werk, in je studie? Werk is gemakkelijk na te trekken, zeker als je in- en uitcheckt. Studie is ook te doen in mijn geval. Huis niet. Valt koken en afwassen ook in de rubriek ‘tijd die je in je huis steekt’? Het gesprek van de dames beweegt zich naar deze laatste rubriek. Er komen badkamers voorbij en woonkamers. Mozaïekjes, kraaltjes en vergelijkbaar ritselend grut. Magnetische vliegengordijnen. Hun vingers vliegen over de schermen van hun mobieltjes. Er zijn verschillende magnetische vliegengordijnen in de handel. Ze vinden die blauwe met wit en transparant allebei het mooist. “Maar,” vraagt de een aan de ander. “Wil je die dan in je woonkamer?” Ze moeten er allebei om lachen.

Een vlotte jongeman stapt binnen en gaat ietwat voorovergebogen met zijn onderarmen op de bar hangen. De drie nimfen veren op. Hij draagt een antracietgrijze halflange jas, op zijn neus rust een studentikoos brilletje en een bos zwarte lange krullen beweegt op zijn rusteloze hoofd. Hij zegt weinig van betekenis, maar alles wat hij zegt verheugt de bediendes. En weg is hij weer.

Iemand heeft stiekem een fiets tegen het raam gezet. Een van de jongedames steekt een vinger omhoog. Vanachter de bar vraagt de bediende met het fel rode haar of ze de rekening wil. Nee, die wil ze niet. “Nog wat drinken dan?” Dat wil ze en ze wijst iets aan op de menukaart. “Okay,” zegt de bediende. “Voor elk één of een voor jullie tweeën?” De jongedame praat kennelijk met haar ogen. “Prima,” zegt de bediende. “Dan doe ik er twee rietjes bij.” Ik sla mijn boek dicht.

Tijdens het afrekenen valt mijn oog op een folder van Bagels & Beans. Er staat een tekening op van een bevallige dame die sterk lijkt op het werk van Alphonse Mucha. Een imitatie, een nabootsing. Vakwerk, maar geen kunst. De bediende met het zacht oranje haar kijkt me recht in de ogen als ze zegt dat de betaling gelukt is. Ik geloof haar meteen. Waar heb ik nou mijn fietssleutel gelaten?

Fietsen met de wind in de rug is goed voor het gemoed. Ik besluit over Sint-Michielsgestel naar huis te koersen. Dan gaan de laatste tien kilometer als vanzelf. Heerlijk. Zo’n leven wens ik iedereen. Thuis bekijk ik de folder van Bagels & Beans wat uitgebreider. Nu pas vallen me de kleine lettertjes naast de tekening op: The ‘earth’ without ‘art’ is just ‘eh’
terug

ik

geloof

haar

meteen