Kuisen met Gwendolien 3

- 14 February 2018 door Edwin Timmers -

Ze hadden Ron, mijn baas, gevraagd of hij ook frietkarren doet. Natuurlijk doe ik frietkarren, had hij geantwoord.
Hij begon zijn interieurverzorgingsbedrijf een half jaar na de scheiding. Alles is prima afgehandeld met zijn ex, blijft hij met een licht hysterische blik in zijn glanzende ogen herhalen. Zijn zoontje gaat soms mee op karwei. Lekker ventje. Tijdens mijn sollicitatiegesprek zei Ron dat hij nooit meer wou nadenken. Iedereen mag alles van me hebben, verzekerde hij me, als ze mijn hoofd maar met rust laten. De offerte voor frietkarrenklant is niet overdacht. Daar gaan we nog veel lol van hebben. Als Ron boos is, is hij niet scheutig met vloerzeep. Piepende vloeren symboliseren zijn frustratie. Een vloer moet een beetje vettig zijn, dat weet zelfs hij. Piepende vloeren zijn stroeve nekbrekers.

Op het terrein staan acht frietkarren, twee meer dan de zes die ik verwachtte. “Vraag naar Gerold,” had Ron me geïnstrueerd. Ik loop naar de unit waarin ik een kantoor vermoed. Een kettinghond kijkt even op en gromt een welkom. In de unit staat zowaar een balie. Erachter zit een kalende dikkerd in een joekel van een leren bureaustoel te slapen. Hij ronkt bij het uitademen en smakt bij hij het inademen. Zo hard ik kan, trek ik de buitendeur dicht. Traag opent hij zijn ogen. Ik zeg dat het me spijt dat ik hem gewekt heb. “Ach meid,” reageert hij. “Mijn oogjes vielen toe, wat natuurlijk alles te maken heeft met mijn opgebloeide seksleven. Bloeiend en dus vermoeiend.”
“Houden zo,” reageer ik. Hij zet een leesbril op.
“Ah, ik zie het. Heel stipt hoor. Twee uur, staat hier, en twee uur zegt de klok. Jij komt de frietkarren cleanen.”
“Ja, zes van de acht,” verdedig ik Ron’s zaak.
“Nee-nee, alle acht.”
“Nee-nee, meneer, zes. Orders van de baas.”
“Dan adviseer ik je baas zijn offerte nog eens goed door te lezen, want daarin staat toch echt dat hij voortaan al onze karren zuiver zal maken. Kijk gerust even mee.”
Gerold legt het papier op de balie. De offerte besluit met de zin in handschrift: ‘Wij verheugen ons op het feit dat u voortaan al onze frietwagens zult schoonmaken’.
“En zie,” gaat hij verder. “Hier staat zijn handtekening.”
Ik ken die handtekening.
“Vorige week kochten mijn broer en ik twee nieuwe karren. Gisteren zag Ron er trouwens een van. Hij kwam snacken met zijn kleine. Een smulpaapje hoor, dat jong. Die schoof zo vijf frikandellen naar binnen. Op onze kosten natuurlijk, want ik vind dat je zo’n kereltje moet voeren als hij honger heeft. Wat jij?”

Om zeven uur bel ik Ron om te melden dat de klus geklaard is.
“Fantastisch, Gwennie!” roept hij. “Viel een beetje tegen, of niet? Maar dat geeft niet hoor. Het is een mooi adresje, goed voor de continuïteit. Gerold belde me een uur geleden. Hij vind je een stoere chick. Haha! Ik denk dat je iets in hem hebt wakker gemaakt.”
Als ik hem vertel dat ik ook het vet van alle pannen heb afgetapt, slaat zijn stemming om. Als ik vervolgens zeg dat het niet zes, maar acht karren zijn, begint hij te tieren.
“Gluiperds zijn het. Aah, ik had beter moeten nadenken. En dan hebben ze gisteren ook nog mijn zoon met frikandellen afgeladen. De gluiperds. Ik heb de hele nacht bij hem gezeten. En maar braken, en maar braken. O o o.” Hierna zwijgt hij. En ik weet ook even niets te zeggen, als ik al zin heb om iets te zeggen. Ron doorbreekt de stilte op gedempte, samenzweerderige toon: “Gebruik gerust wat extra vloerzeep daar. Doe maar. Is goed.”
terug

ken

die

handtekening