Let maar niet op de rommel

- 20 November 2017 door Edwin Timmers -

Waarschuwingen maken alert. Hang een rood-wit lint tussen twee bomen en mensen lopen gealarmeerd een stukje om. Zeg tegen een zestienjarige opgeschoten knaap dat hij geen drugs moet gebruiken en hij zal op zijn minst nieuwsgierig worden. Zeg tegen mij dat ik niet op de rommel moet letten en ik voel me thuis.
Op televisie zag ik onlangs een vrouw nerveus lachend vertellen dat ze alle rondslingerende spullen in de kofferbak van de auto gooide voordat er bezoek kwam. Ik vind dit heel grappig. “Maar meiske toch,” zou mijn vader zeggen. Sommige mensen pakken het anders aan. Zij ruimen niks op en zeggen op tamelijk neutrale toon: “Let maar niet op de rommel!” Natuurlijk let ik wel op de rommel, graag zelfs.

Ik heb niks tegen rommel. Stinkende vuiligheid is een ander verhaal, net als zwerfvuil en de mensen die dat veroorzaken. De rommel waarvan men vindt dat ik er niet op moet letten, is eigenlijk niets meer dan een tijdelijke gerandomiseerde organisatie van spullen zonder vaste verblijfplaats. Rommel is niet hetzelfde als troep, niet hetzelfde rotzooi of bende. Rommel is een verzameling spullen waarvan een nog onbepaald deel bruikbaar is (of misschien ooit wordt).

Enige jaren geleden was het even in: gezellige rommeligheid. Plots richtten stylisten woningen weloverwogen en volgens plan rommelig in. Voor lifestylemagazines werden vervolgens foto’s gemaakt van stralende langharige jongedames die met twee handen een grote mok thee vasthouden en met de beentjes onder een patchwork deken op een versleten bank zitten. Hondje erbij, of een man – wat in zekere zin hetzelfde effect heeft – en een ietwat kouwige foundation rondom de mond. Gezellie!

Een teken van gastvrijheid en vriendschap: zo interpreteer ik het als mensen hun huis niet voor mij opruimen. Rommel is meer dan zomaar wat spulletjes lukraak neergekwakt. Een goeie rommel is als iemands geheugen dat aan de buitenkant zichtbaar is. Foto’s, tijdschriften, LP’s, cd’s, boeken, krantenartikelen, sokken: al die dingen zeggen iets over de persoon die ze tijdelijk ergens achtergelaten heeft. In die zin is opruimen hetzelfde als je geheugen wissen.

Mijn jongste zoon leeft als driejarige in een achttienjarig lijf. Hij zal altijd een klein kereltje blijven. Pas als we zijn bed met rommel hebben volgestouwd gaat hij slapen. Minstens twee hoesjes van DVD’s die hem op dat moment bezighouden, een ritselend kneedkussen, minstens twee gele badeendjes, zijn knuffelaap, een of twee boeken, soms een knikker en af en toe een plaatje uit een tijdschrift. De spullen die mee het bed ingaan vormen het verhaal voor zijn nacht. Rommel als veilige buffer tegen ongure creaturen die, zoals iedereen weet, tevoorschijn komen zo gauw het licht dooft.

Mijn schrijftafel loopt in een periode van twee maanden helemaal vol. Boeken, tijdschriften, artikelen, aantekeningen, teksten om te redigeren. Lopende zaken zeg maar. Vorige week trok ik de bezem er weer eens doorheen. Daar zat ik dan, aan een tafel waarop slechts een laptop stond. Zo leeg als de tafel was mijn hoofd. Nu, na krap een week, vormen zich alweer nieuwe stapeltjes. Ik lijk wel een termiet, arbeidend in zijn heuvel in aanbouw. Eigenlijk zijn die stapeltjes parkeerplaatsen voor nieuwe ideetjes, besef ik nu. Zonder rommel geen stamgast.
terug

zonder

rommel

geen

stamgast