Maastricht .2. huishoudelijk misbruik

- 19 June 2017 door Edwin Timmers -

Een sapcentrifuge waarmee je pannenkoeken kantelt, een stofzuigerslang als broekriem en wollen dekens waarmee je de diepvrieskist warm houdt. Een verspreking is een reactievat voor de mafste associaties. Zeventien papas zitten met hun studerende dochters in een Maastrichts restaurant. Straks gaan we serieus zingen. Nu zoeken we voor de lol alvast wat liedjes over vaders. Een van de dochters noemt de klassieker van Stef Bos. Ze denkt niet dat ze steeds meer op haar papa zal gaan lijken. Haar papa lacht een beetje zuur.
Ik denk aan ‘Pappie loop toch niet zo snel’ van Herman Keeken, maar breng ‘Pappie, ik zie tranen in je ogen’ van Arno en Gradje te berde. Geen van de dochters aan tafel kent deze hit. Helaas. De tranen in het lied doen me denken aan een verhaal over een man die zijn vrouw sloeg. Ik vertel het en sluit af met de prikkelende stelling dat liefde altijd een machtsstrijd is. Een paar vaders lachen ietwat zuur. Te prikkelend wellicht, deze stelling.

Mijn dochter redt de stemming door het lied ‘Het houdt niet op’ te zingen. Dit lied begeleidde een overheidscampagne tegen huiselijk geweld uit 2012. Niemand, behalve mijn dochter, herinnert zich de campagne. Ze noemt het een campagne tegen huishoudelijk misbruik. Dit instigeert een stroom aan absurde associaties. De meiden bescheuren het. Hoe wrang ook de verhaspeling van huiselijk geweld tot huishoudelijk misbruik, dit is precies de nonchalante humor waarin de dames van het dispuut grossieren. Slimme meiden die domheid suggereren door zich opzettelijk te verspreken. Tamelijk doorzichtig allemaal, maar o zo heerlijk.

We verlaten het restaurant voor een biercantus in een kroeg elders in de stad. Een biercantus is zwaar geschut. Met een koevoet de voordeur van je eigen huis forceren om tegen je geliefde te zeggen dat je van hem of haar houdt en dat je de sleutel in je broekzak hebt. Misschien een manke vergelijking, maar dat neemt niet weg dat een biercantus zwaar geschut is. Hoe werkt een biercantus?

Samen zing je liedjes. Meezingen is verplicht en simpel: zuiverheid is net als timing geen vereiste en de tekst staat in een boekje. Zing je niet mee, dan drink je voor straf een glas bier leeg. Na elk lied wordt er sowieso door iedereen gedronken. Hoeveel, dat bepaalt de voorzanger op het podium. Het bier werkt snel.

Dit is mijn tweede biercantus. De dochters van het dispuut zetten dit rituele spel in om de papa’s tot elkaar te brengen. Maar als je dat doorziet – en wie doorziet dat niet? – wordt het lastig jezelf over te geven. Pas na een liedje of vier zit ik er in en voel ik de brute kracht van de biercantus, of preciezer, de brute kracht van excessief gezuip. Ik zing als een nachtegaal.

Wat maakt het zingdrinken verteerbaar? Niet de kroeg, want ambiance ontbeert de gestripte smalle zuippijp. Het is het laconieke gefiep van de studentes; hun verbaal verminken van songtitels en al het andere dat naar taal ruikt; hun aan de laars lappen of naar eigen hand zetten van de spelregels; hun geacteerde onverschilligheid en hun opzichtelijk overtreffen van papa’s gepasseerde jeugd. Vreemd genoeg laten de dochters met dit eigenaardige ritueel zien dat ze het samen goed hebben zo ver van huis. Geen worries, papa! En die heb ik dan ook niet.

Twee tellen voor vertrek van de laatste trein naar Den Bosch sluiten de deuren achter ons. Het herstel begint. Het geboemel neemt me mee naar dromenland. “Je snurkte,” zegt mijn dochter in Eindhoven, waar we moeten overstappen. Ik vrees niet dat ze me al slapende heeft gefotografeerd, want dat is een zekerheid. Haar dispuutgenoten vinden de foto’s schattig. Damn, waar is mijn cool?

We stappen in een ramvolle sprinter naar Den Bosch. Minstens duizend grif aangeschoten liefhebbers van Guus Meeuwis omringen ons. Ook een soort biercantus, denk ik, Guus Meeuwis’ jaarlijkse uitverkopen van het Eindhovense Philipsstadion. Mijn dochter duidt het anders. Hoe? Koppel hautaine insidershumor aan een laat-puberale visie op volwassenheid en je weet het.
terug

pappie

loop

toch niet

zo snel