Marinade

- 04 September 2017 door Edwin Timmers -

Ik word er malser van. En lekkerder, rijker van smaak. De afgelopen drie weken heb ik me gewenteld in een culturele marinade. Dat wordt smullen. Neem gerust een flinke hap.
Misschien is het de leeftijd, ik nader tenslotte de vijftig. Oude kaas noem ik een lekkernij en ik heb een museumjaarkaart. Al vele jaren trouwens. Aanvankelijk als stok achter de deur om me naar het museum te begeven, momenteel als ticket naar geluk.

Acht toneelvoorstellingen, vier museumbezoeken, drie nieuwe dichtbundels, vier al wat oudere en twee romans in drie weken tijd: een culturele marinade. Gekkenwerk voor de kneuter die ik ben, prachtig gekkenwerk, en verdomde verslavend. Een vergelijking met de marinade uit de kookkunst is zo gek nog niet, dat merk ik letterlijk. De ‘cultuur’ trekt in mijn vlees en filtert mijn blik op de wereld. Dingen lijken op hun plaats te vallen in mijn hoofd, hoewel dat evengoed gekte kan zijn. Is het werkelijk gekte, dan omarm ik haar.

In het Rijksmuseum stond ik met honderd anderen voor Rembrandts Nachtwacht. Er gebeurde niets. Ik maalde er niet om en liep de zaal van 1600 tot 1700 in, de Gouden Eeuw. Langzaam begon het gif te werken. Ik liep van meesterwerk naar meesterwerk. Verbluft door het vakmanschap en de rijkdom trok ik de zalen door, steeds weer nieuwe voortreffelijke details ontdekkend, zoals die in de schilderijen van Van der Venne die rechtstreeks naar Breughel lijken te verwijzen. Ik betrad de zaal waarin vier kleinere werken van Rembrandt op een rij hingen. Wat is Rembrandt? Een naam die iedereen vanwege zijn naam kent. Weinigen kunnen zeggen wat hem zo groot maakt. Ik kan niet zeggen wat hem groot maakt, maar ik zag wel iets groots toen ik deze vier werken heel close begon te bekijken. Er gebeurde iets wat ik nog nooit heb ervaren in een museum. Ik schrok ervan, deinsde zelfs terug. Diep geroerd keek ik opnieuw. Er leek een geheim aan me te worden onthuld, ik betrad de wereld die Rembrandt heet.

‘Tobit en Anna’ en vooral het werk dat ‘Rembrandts moeder’ wordt genoemd. Dit laatste gaat van ontzettend gedetailleerd (de lezende hand en de hoofddoek) naar trefzeker ruig (de roodbruine mantel). Het samengaan van precisie en ruigheid is, hoe paradoxaal ook, vanzelfsprekend, volstrekt logisch. Ik moest blijven kijken, maar kreeg er geen vat op, iets ontglipte me.

Dansend bijna, in ieder geval met lichte tred, ontdaan van lichamelijkheid, liep ik terug naar de galerij waar ook de Nachtwacht hangt. Ik ging de hoek om en zag Het Joodse Bruidje. Schoorvoetend naderde ik dit late werk van Rembrandt. Opnieuw deinsde ik terug, ik had er geen grip op, het gebeurde. De rode jurk van het bruidje lijkt gekleid uit verf, heel ruig op het doek gezet en met een effect, tja, dat kan ik dus niet zeggen.

Via een omroepsysteem deelde een stem mee dat het half vijf was, nog een half uur tot sluitingstijd. Maar goed ook, want te lang in de marinade is niet per se beter. Ik was reeds voldoende op smaak gebracht, rijp voor de bakplaat.
terug

rijp

voor

de

bakplaat