Modieuze vent

- 25 May 2017 door Edwin Timmers -

Pas als ik precies twee keer in mijn oude trui pas, is de tijd rijp voor een nieuwe. Ik verdenk mijn vriendin ervan dat ze mijn katoenen truien stiekem oprekt en de wollen exemplaren heter wast en harder centrifugeert dan het labeltje voorschrijft. Zou ze dat doen, dan heeft dat mijn zegen, want wie wil er nu niet een modieuze vent die zijn body minstens een keer per jaar in een nieuwe trui steekt. Ik mag de was niet doen, want ze vertrouwt me niet. En eerlijk gezegd komt me dat goed uit. Alleen al het begrip bont in bonte was vind ik erg lastig. Waar houdt bont op bont te zijn? Wanneer mag het wit heten?
Twee uur winkelen kost me meer energie dan een dag werken in de bouw. Helaas verkopen ze geen truien op de bouwplaats. Online wel, maar daar koop ik geen trui. Truien winkel ik louter live in winkels met een pui. Liefst op zaterdagmiddag. Even speed-shoppen en dan, beurs gebeukt door reclame-uitingen, snel door naar een café voor rust en regelmaat.

Mijn vriendin wil me verleiden tot het passen van nog een paar broeken, maar na de geslaagde aankoop van twee truien ben ik verzadigd. Ik wil koffie en taart. Nauwelijks honderd meter bij de winkel vandaan is een café. Het heeft twee straatkanten, van buitenaf kijk je door de kroeg heen weer naar buiten. Hierdoor is het binnen opvallend licht. Ik open de deur en tegelijk rammelen een bel en het glas in de deur. De houten vloer is kaal gelopen en kraakt. De lambrisering en veel van het meubilair is donkerbruin. De muren zijn beplakt met een zware kwaliteit overwegend in dieprode tinten uitgevoerd behang met barokke krulmotieven. Her en der hangen posters van aanstaande en al lang vergeten culturele evenementen. Alles is aftands, overal slijtplekken. Het geluid is er zacht en het tocht. Aan de bar zit een jongeman aantekeningen te maken. Hij kijkt niet op. Het meisje achter de bar wrijft een glas en groet met een begeleidende knik: “Hallo!” We nemen plaats aan een tafel bij een raam.

De jongeman kijkt pas weer op als het meisje terug is op haar plek achter de bar nadat ze onze bestelling heeft opgenomen. Hij heeft haar kennelijk gemist en begint aandacht te trekken met het uitspreken van tamelijk gezwollen zinnen. Hij lijkt de woorden met zijn tong over zijn lippen te wippen. Zware woorden, ik hoor zijn tong kreunen. Ik vind hem meteen sympathiek. Hij ziet ons niet staan, wat niet erg is. Wij zijn niet zijn doelgroep en waarschijnlijk ook niet die van het café, hoewel dat op dit moment een niet te staven bewering is. Gezien onze leeftijd zijn we gewoon niet zo interessant. Dit betekent dat we in alle rust het etablissement op ons in kunnen laten werken. Ik denk dat het een kroeg voor studenten is, gerund door studenten.

De meid achter de bar maakt twee koffie. Taart hebben ze niet, maar kunnen we een straat verderop halen, als we willen. Ik heb geen zin om nu alweer naar buiten te gaan. Kort achter elkaar zeg ik op pathetische toon drie keer taart. De jongeman veert op en kijkt heel snel even om. “Niet doen,” zegt mijn vriendin. “Nu zit de taart in mijn hoofd. Die krijg ik er pas weer uit als ie in mijn maag drijft. Ik loop wel even naar die bakker.” Ze vertrekt. Meteen daarop stapt een groepje van zes meiden binnen. De geluiden van hun aanwezigheid triggeren een viertal meiden achterin de kroeg. Ze kennen elkaar, vermoedelijk is hier afgesproken. Samen maken ze veel geluid in de hogere toonregisters.

Mijn vriendin is terug met vier piepkleine taartjes. Tien minuten later drijven ze op de koffie in onze magen. “Weet je,” zeg ik. “Ik heb het hier naar mijn zin. Zullen we één drankje doen?” Goed plan, blijkt. Het barmeisje serveert even later twee flessen Belgisch bier uit. “Zie je die trui van haar?” vraag ik mijn vriendin. Ja, die is gezien. “Beetje ruim hè. Het valt me op dat de meeste gasten hier een voorkeur voor ruim hebben. Zie je die meiden daar?” Die had ze al gezien. “Ja, ruim, en verwassen,” vult ze me aan. Ik steek mijn neus in het glas tripel. “Fijn hè,” zeg ik terwijl ik mijn hand op de tassen leg waarin mijn nieuwe truien zitten. “Fijn toch, dat jij zo’n modieuze vent hebt.”
terug

Geen

taart

toch

taart