Neus in andermans zaken breken

- 16 November 2017 door Edwin Timmers -

Op Facebook kwam een filmpje voorbij van mensen die telefonerend over straat gaan. Een filmpje, zoals zoveel op dit medium, met een hoog moraliserend, dus veroordelend gehalte. Alsof de maker wil zeggen: "Als u net als deze mensen zo erg opgaat in uw telefoon, zal u hetzelfde als hen overkomen." De ene beller liep tegen een bushokje, een andere kukelde van een trap en een derde stapte nietsvermoedend in een vijver.
Vrijdag liep ik zowat de glazen deur van de slijterij uit de sponning. Helaas voor de maker van het moraliserende filmpje had ik geen telefoon aan mijn oor. Wel volgde ik nieuwsgierig het gesprek van twee mannen en een vrouw voor de winkel naast de slijterij. Ik had mijn hoofd schuin naar hen gedraaid en liep ondertussen naar de slijterij. Ik reikte alvast naar de klink en groette nog een van de twee mannen toen met een enorme smak bleek dat ik al bij de deur was.

Het gesprek van de twee mannen en de vrouw viel stil. Verbouwereerd staarden ze me aan. Ik lachte mijn tranen weg. Ik huilde niet, maar mijn neus had zo’n optater gehad dat traanvocht zowat uit mijn ogen spoot – nu, drie dagen later, is mijn neus nog steeds gevoelig. De slijter verliet zijn vaste plek achter de toonbank en liep geschrokken naar de deur, die ik nu wel gewoon opende om naar binnen te gaan. “Gaat het,” zei hij bij het zien van mijn zeiknatte ogen. “Jawel hoor, jawel,” suste ik op nasale toon, beschaamd lachend mijn neus betastend.

Voor mijn vriendin trok ik twee speciale bokbieren uit het schap, de slijter liep naar achter om twee Duvel voor mij te halen. “Zo, twee Duvel en deze twee. Dat was het?” vroeg hij, mij zorgvuldig opnemend. “Gaat ’t weer een beetje.” Ik knikte en probeerde het gênante voorval uit zijn werkgeheugen te verdrijven door van gespreksonderwerp te veranderen.

Tien minuten eerder was ik bij de pomp. Op de toonbank stond een bordje waarop telefonerende mensen op neutrale toon werd toevertrouwd dat ook zij aan de kassa geholpen worden, doch pas na beëindiging van het draadloze gesprek. Ik vroeg de kassamevrouw of ze daar veel last van had. Nou en of. Ze vond het niet normaal en was blij dat ik het met haar eens was, zonder dat ik gezegd had dat ik het met haar eens was. Ze had goed gegokt, want ik was het met haar eens. Toen ik haar dat vertelde, was ze nog blijer.

De slijter vond het bordje subtiel. Het fenomeen ‘bellende klant’ was hem niet vreemd, maar echt last had hij er niet van. Ik betaalde, stopte de flessen in een plastic zak en groette vriendelijk. De slijter wenste mij een fijne avond. “Enne, let op voor de deur hè,” riep hij, stralend van oor tot oor, net voordat ik naar de klink reikte.
terug

Gaat

het

weer?