Pilletje

- 26 October 2017 door Edwin Timmers -

Een dag met een afwijking, een drukfout. Zo'n dag waarop de wind een speels voorschot neemt op de komende herfst door bij gebrek aan droog blad een zooi prulletjes te verplaatsen. Het ritselen is in het cafe te horen, wat niet vreemd is, want de deuren aan de straatkant staan wagenwijd open. Een warme dag. Achterin, aan de tafel bij het biljart, zit Jan, een magere oude man, te knikkebollen. Niels stapt kordaat de kroeg binnen op zijn gloednieuwe sneakers.
“Hee Nielsie,” groet Willy vanachter de toog. Niels steekt zijn hand in de lucht en legt die met een ferme tik tegen de opgestoken hand van Willy. “Pilsie, Niels?”
Naast Niels staat Raymond, een beer van een vent. Raymond runt een sportschool en probeert opgeschoten gastjes van straat te houden. “Zo Nielsie, nieuwe sneakers.” Niels knikt en zet het pilsje aan zijn lippen. “Niet bepaald winterkleuren,” vervolgt Raymond. De sneakers zouden niet misstaan in de prijzenkast van de schiettent op de kermis. “Je moet de kleren dragen waarin je je lekker voelt, Raymond,” reageert Niels. Raymond laat de bruine tenen in zijn badslippers jubelen, waarna hij zich tot Willy richt: “Ik heb het eens een tijdje aan zitten kijken, maar dat gaat niet goed met die man.”
“Denk je?” zegt Willy. Hij kent Jan maar al te goed. Jan heeft de kleur van een overledene en maakt evenveel geluid. Hij zit niet graag alleen thuis, hij zwijgt liever tussen de mensen.

Niels kijkt tegen Raymond op. Een empathische jongen, zeker, maar nog niet rijp genoeg voor het straatwerk. De wereld draait langzamer dan hij denkt. Hij verwart doodgewone tragiek met sociale malaise. “Wacht maar,” zegt hij en loopt naar Jan. Willy wil hem terugroepen, maar slikt zijn woorden in. Raymond lacht.

“Gaat het wel goed met u?”
Jan reageert niet.
“Meneer? Is alles okay?”
Jan opent zijn ogen en kijkt Niels, die inmiddels gehurkt voor hem zit, indringend aan.
“Jongen, bekommer je niet om mij. En haal die hand van mijn schouder.”
Niels haalt zijn hand weg en wiebelt op zijn hurken. Hij geeft niet op.
“U ziet erg bleek, meneer. Slikt u medicijnen? Heeft u een pilletje gemist?”
Jan zucht diep.
“Nee, jongen, ik slik geen medicijnen. Niks. Maar zeg eens, jongen, heb je nieuwe schoenen?”
Niels knikt.
“Weet je, jongen,” zegt Jan op zijn lijzigst. “De dag dat je mij met zo’n schoenen ziet, mag je me gerust een pilletje geven.”
terug

ons

kent

ons