Portemonnee van vlees en bloed

- 21 May 2018 door Edwin Timmers -

De eerste platen van de Nederlandse gitaarpopband Johan draaide ik grijs. Hun ijzersterke vierde plaat verscheen negen jaar geleden, hun vijfde vorige maand. Vrijdag jongstleden ging ik met een stel vrienden naar Doornroosje in Nijmegen om de band live aan het werk te zien.
Van de vijf keer dat ik ze zag, was dit de minste. De muzikanten waren gespannen, het zaalgeluid niet best. Toch kan ik daar goed mee leven. Een band live gaan zien is altijd spannend omdat het even gemakkelijk tegenvalt als meevalt. Heel soms valt alles samen en ervaar je dat onbeschrijfelijke waarop je altijd hoopt. Dit gebeurde vrijdag niet.

Maar waar ik het eigenlijk over wil hebben is de nieuwe generatie concertzaal. Doornroosje bestaat al heel lang. In 2014 verhuisde de live-club naar een hypermodern, nieuw pand nabij het Nijmeegse centraal station. Veel andere live-clubs verhuisden in de jaren ervoor naar een nieuw pand, denk aan de Effenaar in Eindhoven en Noorderlicht (dat hierna 013 ging heten) in Tilburg. Stuk voor stuk goed gemanagede, mooie zalen. Toch vind ik er niet gemakkelijk mijn draai. Om te zeggen waar dat misschien aan ligt, maak ik even een omweg over Zwolle.

Zondag bezocht ik de indrukwekkende tentoonstelling met 65 werken van schilder Neo Rauch in de Fundatie in Zwolle. Van mooie tentoonstellingen koop ik meestal het boek waarin de tentoongestelde werken in het klein nog een keer langskomen. Zo ook van deze. Achterin het boek staat een interview met Rauch waarin hij rake dingen zegt over architectuur en de menselijke maat. De kunstenaar looft de Duitse architectuur van eind achttiende, begin negentiende eeuw. Dit doet hij niet vanuit een Blut und Boden ideologie, maar met betrekking tot mens en omgeving: “Er was niets dat brutaal was, geen exaltatie, alles was heel nauw bij de mensen en op zichzelf betrokken.” Gebouwen die gehoor geven aan wat mensen zijn en kunnen zijn.

De latere (modernistische) architectuur gaat volgens hem uit van een ander mensbeeld: “Ja, het [modernisme] is eigenlijk mensonterend, het reduceert de mens tot een doorstroompartikel, tot een economisch functioneel element. […] Zonder warmte, zonder warmte.”

Precies, zo voel ik me in de nieuwe generatie concertzaal en ook op menig festivalterrein. Ik voel me een gevulde portemonnee, bekleed met vlees en bloed. De nieuwe generatie concertzaal is efficiënt met een focus op planning en organisatie. Het verschil met de vorige generatie zaal, die vaak een voortzetting was van een soos of kraakpand, is soms klein. De vorige generatie was gemoedelijker, niet zelden gebouwd rondom een fanatieke muziekscene en goeddeels gerund door vrijwilligers. Tegenwoordig is de band het centrum van de avond, en hoewel dat logisch lijkt voor een ruimte waar bands hun kunnen tonen, is het een misvatting.

Een band is een goede aanleiding voor een mooie avond. Een band brengt mensen samen. Wat is hierin het belangrijkste? De band of het samenzijn van mensen? Allebei even belangrijk, ongeveer zoals voetbal niet zonder bal kan. Als ik naar een band ga, hoop ik een paar mensen te spreken, eventueel wat te lachen en samen iets onuitsprekelijks te ervaren. Bovendien kan ook het bestellen van een paar drankjes leuk en verrassend zijn. Als iedereen, dat wil zeggen: publiek, personeel en performers, op elkaar betrokken is, is de kans groter dat de hele avond slaagt en niet alleen het optreden. Een vergelijkbaar voorbeeld: als je gaat uiteten en de bediening is onverschillig, is het eten minder smakelijk. Mensen zijn meer dan goed gevulde portemonnees die tegen betaling door een efficiënte avond geloodst dienen te worden.
terug

laat

het

je

smaken