Rokers zonder vuur

- 27 October 2019 door Edwin Timmers -

Zijn vishandel gaat naar een kleiner pand. De keten is volgens hem efficiënter geworden. "Met een derde van de voormalige ruimte kan ik dezelfde omzet draaien." Ik wil weten hoe precies de handel efficiënter is geworden. Hij sluit zijn antwoord veelbetekenend af: "Weet je, ik hoef nog maar vijf jaar. Waar zou ik me druk om maken." Stationair naar zijn pensioen. Ik vlinder de vloer in zijn kleinere pand in Harderwijk. Het schiet niet erg op, maar als het even wil, kan ik vanavond toch nog naar Eindhoven.
Eerder vandaag sprak ik met een schoorsteenveger. Ook hij vertelde gepassioneerd over zijn vak, over dertig jaar ervaring, over de beste manier om een open haard te stoken en hoe het rookkanaal te vegen. Aan de telefoon wimpelde hij een nieuwe klant af. Hij wil geen nieuwe klanten, hij rooit het zo ook wel.

In Eindhoven presenteert de band Mark Lada's Golden Arches haar debuutplaat met een live-optreden. Ik had een andere dag kunnen kiezen, want ze spelen de komende tijd wel vaker. De doorslag om toch vandaag te gaan, gaf de locatie: Pand P, het voormalige Plaza Futura. Een bijzonder gebouw en toch onopvallend, want na-oorlogs en dus nog te jong om meteen als historisch te labelen, zoals veel gebouwen in Eindhoven. Pand P kwam gereed 1950. Nu is voorin een restaurant gevestigd en achterin een theater.

Net op tijd, precies om half tien, reeds donker, parkeer ik mijn auto. De meute die voor Pand P staat te paffen, wordt van binnenuit verlicht. Tussen de rokers staat de gitarist van de band. We kennen elkaar een beetje. “We gaan trouwen,” zegt hij. De vrouw naast hem moet zijn aanstaande zijn, blijkens haar oplichtende gezicht. Ik gis de naam van hun eenjarige kindje goed, wat haar verbaast. De gitarist is een beetje nerveus. “Te weinig gerepeteerd naar mijn zin,” biecht hij op.

Pand P heeft een hoge entree waarvandaan het plafond over een lengte van tien meter tot gangbare hoogte daalt. De knik wordt geaccentueerd door vijf rijen met tl-balken die een wit-roze schijnsel produceren. Links een lange bar en rechts een klein geïmproviseerd podium. Daar tussenin een verzameling eettafeltjes en plek voor eventueel danslustige bezoekers. Alles baadt in het licht.

“Mooi dat je er bent,” zegt een ex-drummer. We tippen elkaar vaak nieuwe muziek via Whatsapp. Mooi dat ik er ben inderdaad, maar eerst een pintje. Een van de meiden achter de bar begrijpt niet wat ik bedoel met gewoon bier op fles. Toch is het een hele simpele vraag. Haar norse collega neemt het van haar over. Ik wijzig mijn plan en vraag nu om een Hertog Jan van de tap en wijs naar de betreffende tapkraan met het juiste schildje. “Weizen?” vraagt hij. Zou hij het lidwoord achterwege laten omdat hij vermoedt dat ik een recent gearriveerde Oost-Europese immigrant ben? “Ja, ein Weizen bitte!” beantwoord ik zijn vooroordeel.

De band begint. Een lekker direct zaalgeluid. De gitarist zit nog niet strak in zijn partijen, maar dat maakt me niks uit. Een paar liedjes beklijven. De zanger heeft geen gouden strot, maar hij heeft wel ambitie en daar waardeer ik hem om. Hij heeft iets te verliezen. Dat maakt hem groter dan de rest. Het publiek is welwillend, juicht, maar komt niet los. Ik zie de typische pogingen van samenklittende twintigers om van een avond een gezamenlijke topavond te maken. Maar de sfeer is te onwennig en alles baadt in het licht. Toch geniet ik hiervan. Tijd voor een sigaret.

Buiten vraag ik een levende legende van de Eindhovense rockscene om vuur. Jaren geleden maakte zijn opgefokte branie hem volgens velen onuitstaanbaar. Ik ken hem echter als een zachte beer. Hij betrekt een andere man bij ons gesprek, een Bosniër, die na jarenlange omzwervingen in Eindhoven zijn thuis vond. De legende zegt dat zijn leven op orde is, maar ja, ook dan is er nog narigheid zat. Psychotische vrienden, ex-vrienden en bekenden passeren de revue. Op een bankje naast de Bosniër zit een vrouw. Telkens als ik haar aankijk, lacht ze breed. Ik lach breed terug. Als er een man met een fles wijn komt aanlopen, veert ze op. Ze zat daar te wachten en doodde het ongemak met haar innemende lach.

Weer binnen verlaat de band het podium. Het is gedaan. De ex-drummer zegt dat hij al bijna drie jaar lang niet meer gedrumd heeft en dat wel okay vindt. Ik ken hem anders. Ik ken hem als iemand die nog niet zo heel lang geleden wilde leven van de muziek. Hij is niet bitter. Zojuist zei de levende legende dat hij met zijn huidige band gemakkelijk optredens binnenhaalt: “Ik teer op oude roem.” Eerdaags spelen ze in Paradiso. Hij vindt dat ze zichzelf moeten afvragen of ze zich na dit wapenfeit nog wel iets kunnen wensen. Zijn leven is op orde.
“Even gas terug is wel lekker,” zegt de bassiste van een punkband, waarmee ze het afgelopen jaar veel optrad. “Hebben we tijd om aan nieuwe liedjes te werken. Dat gaat bij ons niet zo snel. Doen we samen namelijk.” Niemand hier heeft haast.

De gitarist baalt. Spelen in zo’n helverlichte zaal vindt hij kut en hij gruwt van zijn onderprestatie. Ik sus en relativeer. Hij wil het graag geloven, maar blijft balen. Weinig tijd, druk, dat is de reden.
Niemand heeft hier haast, niemand kijkt de dood in de ogen. Wie gaat ervoor, waar is dat vuur, wie waagt de sprong? Iedereen verliest zich in bijzaken, iedereen vreest zijn lef, iedereen, op een na: Mark Lada. Hij komt gelopen en neemt na wat handenschudden en ongemakkelijke bedankjes plaats achter de tafel waarop de debuutplaat van zijn band voor twintig euro te koop wordt aangeboden. “Doe mij er maar een,” zeg ik.
terug

weinig

gerepeteerd