Schietgraag volk

- 11 December 2017 door Edwin Timmers -

We staan voor een enorm onaf huis. Een kubistisch bouwwerk van zwarte baksteen, wit stucwerk en metershoge glazen wanden. De betonvloer is vandaag aangebracht en glanst in het gelige licht. Wanden van oranje steen wachten op het tedere strijken van de stukadoor. Een leeg huis, klaar voor een vulling van verhalen.
“Denk je dat het groot genoeg is voor twee?” vraag de vader.
“Ik denk het wel,” zeg ik. “Misschien dat er nog een hond bij kan.”
“Of schoonmoeder,” reageert de vader.
“Dat nooit,” roept zijn zoon. Vader lacht. Het huis is voor zijn zoon en diens vrouw.
“Mijn schoonmoeder is vierennegentig,” gaat vader verder. “Ze zou verdwalen in dit huis.”

Zijn schoonvader was een taaie. Vijfentwintig jaar kankerpatiënt en al die tijd gaven artsen hem hooguit een paar maanden. Op het eind had hij allemaal van zulke gaten in zijn rug. De vader geeft met de duimen en wijsvingers van beide handen aan hoe groot die gaten waren. Doorligplekken.

“Hij was suikerpatiënt en daarom stierven zijn voeten af. Nu en dan sneed een arts het zwarte vlees weg. Daar zag hij niet tegenop, want gevoel in zijn voeten had hij al lang niet meer. Die voeten leken steeds meer op afgekloven stompjes. Maar dat weerhield hem niet van het jagen. Op een keer reed hij in zijn rolstoel een greppel in. Hij kon geen kant op. Na lang wachten kwam er een boer voorbij. Schoonvader richtte vanuit de greppel zijn jachtgeweer op hem en zei: ‘Als je mij hier niet uithaalt, dan schiet ik je kapot’. Zeker weten, o jawel, als die boer hem er niet uitgehaald had, had hij geschoten. Zeker weten.”

Door de beslagen glaswanden kijken we het lege huis in. Een huis is om in te wonen, vindt de vader, die twijfelt of hij me heeft kunnen overtuigen van de schietbereidheid van zijn schoonvader. Hij gooit er een schepje bovenop.

“Bij het woonwagenkamp hadden ze van die lange honden. Twee. Twee van die lange honden, en die haalden het wild weg. Dus schoonvader gaat naar het kamp en zegt tegen een van de kerels daar dat hun honden het wild weghalen. ‘En wat dan nog,’ zegt die kerel. ‘Wat dan nog?’ roept schoonvader. ‘Als jullie die honden niet bij je houden, dan schiet ik ze kapot’. Die kerel lacht en PANG!, schoonvader legt er een om.”

Of ik nog even bij de les blijf, maakt de vader ongeduldig gebarend kenbaar, want het verhaal heeft een staartje.

“Die kerel ging naar de politie om er de moord op zijn hond aan te geven. De politie ging naar schoonvader en vroeg hem of hij inderdaad die hond had omgelegd. Zonder aarzelen bekende schoonvader en gaf meteen te kennen dat dat beest het wild wegving. ‘Prima,’ zei de diender. ‘Dan weet je ongetwijfeld ook dat daar nog zo’n hond rondloopt.’”
terug

een

vulling

van

verhalen