Soepel rookverbod

- 01 May 2018 door Edwin Timmers -

Nog even en er wordt niet meer gerookt in de horeca. Nog iets langer en er wordt ook niet meer gerookt op de stoep voor een horeca-onderneming. In flink wat delen van Den Haag komt spoedig een verbod op het roken van wiet en hash op straat. Genotsmiddelen in de verdrukking. Het legaal uitbannen van alcohol is de volgende stap. Drooglegging 2.0. Het enige genotsmiddel dat in de 22ste eeuw zal zijn toegestaan, is dopamine, het beloningsstofje dat je eigen lijf aanmaakt als je als een bezetene rondrent om je billen in de sociale norm te persen of als je permanent veel likes krijgt op social media. In de 22ste eeuw zijn cabaretiers overbodig; de werkelijkheid is dan intrinsiek hilarisch.
Voorlopig kunnen we nog lachen om de mazen in het rookverbod. Vorige week had ik een betonklus bij een bedrijf waar omheen hoge hekken staan. Ik liep het terrein op en voelde meteen dat roken er niet is toegestaan. De stellingen in een hal verderop met vaten waarop doodshoofd- en vlammenstickers prijken, bevestigden mijn gevoel. Niettemin zag ik nergens een rookverbodsbord. Het halletje waarin mijn collega’s en ik moesten zijn, was kaal en leeg, alles even brandbaar als kiezelstenen.

We gingen aan de slag. Rondom onze hal waren een zestal andere bouwvakkers druk doende. Een van hen had een peuk op de lip. Als hij er een opsteekt, dan steek ik er ook een op, dacht ik, en voegde de daad bij het woord. Amper een minuut later spreekt Leo me aan. Zo meteen komt de directeur even naar jullie werk kijken, gewoon, uit interesse, zegt hij. “Maar we hebben hier een rookverbod en hij zal het daarom niet op prijs stellen als hij jou ziet roken.” Meteen doof ik mijn sigaret. “Sorry,” reageert Leo, een geschikte peer, die eerder die ochtend de werkvergunningen voor ons regelde. “Geen probleem,” reageer ik op mijn beurt. “Echt niet.” Toch heeft Leo medelijden, ofschoon hij zelf niet rookt. “Als de directeur weg is, kom ik dat wel even melden.”

Even later staat er een clubje vriendelijke hotemetoten naar ons werk te kijken. Een van hen is de directeur. Het is warm, dus we zweten als otters, wat niet erg is omdat het respect afdwingt: we zweten voor hun zaak. Een stief kwartiertje later vertrekt het clubje weer onder begeleiding van tevreden opgestoken duimen. Buiten zie ik Leo onze hal naderen. Hij treft de directeur en zijn trawanten, maakt een vlot praatje – iedereen lacht – en koerst verder in onze richting. Sterker nog, hij loopt recht op me af. “Je kunt weer roken hoor,” fluistert hij op samenzweerderige toon in mijn oor terwijl hij een hand op mijn schouder legt.
terug

mazen

in

het

rookverbod