Stilleventje uit dorpskroeg

- 03 July 2017 door Edwin Timmers -

Vraagje. Wie spreekt zichzelf wel eens ernstig toe? U hoeft niet te antwoorden. Maar eigenaardig is het wel, dat toespreken van jezelf. Topsporters doen het ongetwijfeld: "Kom op, ga door, nog even. Het is niet ver meer!" Alcoholisten doen het: "Eentje nog? Ja? Dan stoppen we morgen. Okay?" Niemand hoort het als iemand zichzelf toespreekt, het vindt plaats achter gesloten mond. Een persoon die zichzelf toespreekt, veronderstelt twee personen: de eerste spreekt, de tweede hoort aan of stribbelt tegen.
“Scheer je weg, mijn vriend, maak je uit de voeten.” Dit is de eerste regel uit het gedicht Stilleventje uit dorpskroeg van Martijn Benders. Het staat in zijn nieuwe bundel Nachtefteling. Achterin de bundel schrijft hij dat het een bewerking is van een gedicht van Sándor Csoóri. Als stamgast van Tribe en laagfrequent, doch gepassioneerd dorpskroegbezoeker voel ik me verplicht iets over dit gedicht te zeggen. Doch eerst het gedicht.

-

Stilleventje uit dorpskroeg

Scheer je weg, mijn vriend, maak je uit de voeten.
Dat aftands gezicht van de barvrouw daar – dat zijn geen sproeten,
en het is geen knoflooklucht, of walm van loskomend behang,
nee, het is de stank van lieden die ogelen naar wiffels.

Kijk eens rond, alles zit op zijn plek: de bronzen deurklink,
de bronzen tap, de bronzen reling van de toog. De koekoeksklok.
Die tikt niet, maar klopt. Ga toch weg, maat, verdwijn.

Want het is of je hier aan de beademing kwijnt.
Kijk toch, de rode webben tussen de vingers van die klant.
Doet net of hij een krant leest. Waarop kauwt die hond?

Een handvol grond, of de wolken die ze in je mond gaan proppen
als je je aandacht verder laat verslappen, samen
met de veren van een blauw aangelopen zwaan.

Ren voor je leven! Daar komt de koffiejuffrouw aan
om je in haar mierzoete dwangbuis van onjeklonje te stoppen.
Het laatste loodje in je kop, laat het, ik smeek je.
Geraniums rukken op, skeletten van speeksel.

-

Het Stilleventje volgt in de bundel op het prachtige gedicht Gesprek met de spiegel (waarmee ik deze blogpost afsluit). Een gesprek met de spiegel is een gesprek met jezelf. Misschien herkent u het, dat je, kijkend naar je spiegelbeeld, zegt: “Zo, dus dit ben ik!” Een opmerking waaruit verrassing spreekt. De dichter (of, juister, de persoon die de dichter opvoert) herkent zichzelf niet meteen; zijn lippen spreken niet de poëzie die in zijn hoofd zit. De dichter zag zichzelf in het gesprek met de spiegel. Hieruit maak ik op dat de ‘vriend’ in de eerste regel Stilleventje uit dorpskroeg de persoon is die de dichter in de spiegel zag.

Iemand die zichzelf ‘vriend’ noemt en die vriend waarschuwt, is zijn leven lief. Drie keer waarschuwt hij zichzelf in Stilleventje uit dorpskroeg. De eerste keer noemde ik al. De tweede keer: “Ga toch weg, maat, verdwijn.” De derde keer: “Ren voor je leven!”, waaruit blijkt dat hij voor zijn leven moet vrezen. Hij moet weg uit die dorpskroeg voordat het te laat is. Het gedicht refereert vaak aan de dood en een paar keer aan drank of een ander geestbedwelmend en op termijn wellicht geestdodend middel dat gewoontegetrouw wordt ingenomen, zoals de zinsnede ‘ogelen naar wiffels’ (met rollende ogen naar lekkere meiden kijken?), dat regelrechte dronkenmanstaal is, gesproken door iemand van wie de lippen motorisch haperen.

De dood sluipt langzaam het gedicht in om het in de laatste vier regels botweg over te nemen. Het begint al heel onschuldig met het ‘stilleventje’ uit de titel: als het leven stilvalt, is de dood een feit. Een stuk verderop wordt er al gekwijnd aan de beademing en is er reeds een handvol grond (die men ritueelsgewijs op een neergelaten doodskist laat vallen). Nog klaarder wordt het bij de blauw aangelopen zwaan. Een zwaan die blauw aanloopt, moet snel zijn, wil hij nog voor zijn heengaan zijn zwanenzang zingen. Het laatste werk van een kunstenaar wordt zwanenzang genoemd.

Een bezoek aan het crematorium werpt licht op deze regel: “Daar komt de koffiejuffrouw aan om je in haar mierzoete dwangbuis van onjeklonje te stoppen.” Koffie, onjeklonje (eau de cologne), alles wordt ingezet om de geur van de dood te maskeren.

Ik weet niet of Martijn Benders de twee gedichten om de hiervoor genoemde redenen achter elkaar heeft geplaatst. Ze passen wel bij elkaar, en sommige van zijn posts op facebook rechtvaardigen het een beetje als ik zeg dat hij zichzelf eerder dit jaar in de spiegel bekeek en zei: “Neem je leven op, Martijn!” Het leven is hem te lief gebleken om het te verbrassen. Hoewel dat een speculatie is waarvan Benders’ prachtbundel zich niks hoeft aan te trekken.

-

Gesprek met de spiegel

Ze hebben mijn gezicht witgewassen terwijl ik sliep.
En in het zilveren kruis van de kraan zie ik de afgeschoten zwanen
van de handdoeken, licht deinend op de gril van de radiator.
En twee roestige kogels, die bleven steken
in de verduisterde manen van de kassen, slecht gemikt.
Die konterige kin. Het jachtseizoen is begonnen,

op de stoppelvelden onder mijn wangen. En mijn lippen verzaken
die prachtige rompslomp van woorden, de poëzie.

Het is alsof ik nooit iets schreef. Of een ander mij beleefde.
Over mijn slapen gakken de uitdunnende lokken,
het scheermes droomt van genekte liefde op de plank
naast de pillenkast en ik klief het over mijn wang,

een, twee, drie. Elke haal
het kaalplukken van een faalvogel
om god weet wat voor ellenlange uilenslaapjes
toe te rusten met het tirannieke dons van de waak.
terug

ogelen

naar

wiffels