Stuiteren

- 25 August 2019 door Edwin Timmers -

Twee mensen, wandelend over een promenade aan zee. Nauwelijks merken ze de wereld rondom op omdat ze zich bereidwillig verliezen in een geanimeerd gesprek. Jaspanden dansen wild op de nukken van een stevige bries. Opgestoken kragen en wapperend haar. Altijd als ik zulke wandelaars zie, steekt een lichte jaloezie op. Graag zou ik meepraten, vragen stellen, ongeacht het gespreksonderwerp. Even later strijken deze mensen neer op een terras, slechts dan hun gesprek onderbrekend voor het doen van een bestelling, waarna de bediening verder gaat en hun wereld zich weer voor de omgeving sluit.
Aan het tafeltje naast het mijne op het tuinterras van The Allotment in Dover zit zo’n stel. Hoewel ‘stel’ in deze eigenlijk niet juist is. Maar omdat de man die de twee dames vergezeld geen woord zegt, sta ik mezelf toe hem als onzichtbaar aan te wijzen. Hij is er wel en tegelijk is hij er niet. Hij is als de geadresseerde van een brief, de persoon tot wie je je tijdens het schrijven richt. Een van de vrouwen werkt in het onderwijs en is politiek actief. Ze vertelt over confrontaties met politieke tegenstanders tijdens een demonstratie. Waar ze tegen demonstreerde, weet ik niet. Ze praat met een lach, zonder verbittering. De andere vrouw luistert vooral en reageert telkens op het juiste moment met een schaterlach of een gilletje van ongeloof.

De gerant van The Allotment is een zestiger van, naar ik uit zijn accent opmaak, Franse origine. Zijn voorkomen en gebaren zijn wat lomp, verraden een spoortje dedain voor zijn gasten. Toch stoort dit niet omdat er iets komisch in schuilt – hij heeft wat van Basil in de televisieserie Fawlty Towers. Een fijnbesnaarde Fransoos met een schurend restje heimwee te midden van nuchtere, regenharde Engelsen. Zijn kleine restaurant is een oase van wellevendheid in het rauwe Dover, dat op vrijdagen luidruchtig de kroeg bezoekt.

Het schemert. Weinig volk op straat. Uit een kroeg in een zijstraat rechts klinkt keiharde muziek. Een dolle gast brult tegen een aantal anderen die in de deuropening staan. Uit de pizzeria links komt een vader gelopen met een pizzadoos op zijn handen. Zijn drie kinderen trappelen van plezier op hun flitsende gympen. Een van hen opent de doos en allemaal tegelijk graaien ze er een punt uit. Hun tonronde mama slaat het gebeuren gelaten gade. Met moeite zet ze zich in beweging, achter haar gezinnetje aan. Rechts zit een fitnesscentrum. Een paar mannen en vrouwen werken zich in het zweet. Links een Victoriaans huizenblok in verval met half verzonken souterrains en afbrokkelende trappen naar het plateau bij de voordeur. Op een van de trappen zit een man verfomfaaid in het oneindige te staren met een hoofd dat dreigt weg te zakken tussen de schouders. Verderop een kroeg met een goed gevuld terras. Iedereen staat, iedereen rookt. Een vrouw heeft een flink glas bier in haar rechterhand. Haar andere hand rust op het handvat van een lege buggy. Tussen wijs- en middelvinger wiebelt een sigaret op het ritme van haar lach. The Eagle Tavern, een pub waar elke gast op dubbele snelheid leeft.

“Thanks love,” zegt de barvrouw die mijn pint tapte en het geld daarvoor in ontvangst neemt. Ze zegt het nog een keer als ze me het wisselgeld teruggeeft. Binnen zitten zo’n twaalf mannen en vrouwen door elkaar heen te praten. Vrijdagavond, een uur of tien, happy hour, waarvoor getuige de aankondiging op het trottoir drie uur was uitgetrokken, is voorbij en de meeste aanwezigen is dat ook aan te zien. De muziek staat snoeihard, The Prodigy en andere bands van toen. De muren zijn wit en er is voldoende licht, maar er kan altijd licht bij. Versplinterde kleuren stuiteren via spiegelbollen over de wanden en lijven.

Bezoekers zijn zowat continu in beweging. Naar buiten om te roken, naar de bar voor een pint en voor het wisselen van een paar woorden en meteen door naar een ruimte achterin. Wat daar gebeurt, is me een raadsel. Even later komen ze er weer uit terug met een pint in de hand, naar buiten om te roken en een paar woorden te wisselen met een mederoker en weer naar binnen voor misschien een nieuwe pint of anders weer naar de ruimte achterin. De barman lijkt dronken, maar heeft vermoedelijk slechts een versleten onderstel dat zijn zwalkende voortbewegen verklaart. Hij zet een vers bakje water bij de deur naar buiten. De bejaarde pitbull terriër van een goedlachse man met een paar zwarte tanden in zijn gebit snuffelt aan het bakje en laat het verder voor wat het is. “He prefers a pint,” roept zijn baasje tegen niemand in het bijzonder, lacht zijn tanden bloot en loopt naar buiten voor een peuk. Ook staat er bij de deur een schaal met kleine sandwichpunten. Een forse vrouw loopt er naartoe en laadt vier sandwiches op een bordje in haar andere hand. Ze plaatst het bordje voor de neus van een simpele jonge vent, waarschijnlijk haar zorgenzoon, en beweegt haar logge reet met een veelbetekenende swing op de knallende muziek en loopt geamuseerd naar buiten voor een sigaret. Haar slungelige zoon kauwt op een sandwich en kijkt vriendelijk lachend, met een glimp van eeuwige klaarte, om zich heen. Er is milde geiligheid. Een jonge meid met pronte billen in een legging en een flinke, vooruitstekende, doch mooie ronde buik maakt een praatje met een andere eveneens rokende jonge vrouw over het stofje waarvan haar soepel vallende pantalon is gemaakt. De meid met de ronde buik laat zich een paar tellen later gewillig tegen het robuuste hek, dat de stoep van de straat scheidt, duwen door een brede kerel die ongetwijfeld lieve woordjes in haar oren likt. Haar buik piept door de spleet tussen de legging en het naveltruitje naar buiten. Op een paar meter bij dit stel vandaan staat een enorme meid het duwen van een mager mannetje te ondergaan. Een andere kerel loopt met een doosje fish en chips naar binnen. Een auto rijdt met een rotgang voorbij en niemand die het opmerkt. Over het trottoir passeert een spichtig ventje op een ATB-fiets met honderden glimlichtjes in de spaken. Het baasje met de hond wil weer naar binnen, maar de pitbull blijft in de deuropening staan totdat zijn plasje op is. De glimlichtjes schieten een zijstraat in. Opeens wil ik naar bed.
terug

er

is

voldoende

licht