Stuk in de LocHal

- 19 April 2019 door Edwin Timmers -

"Iets zegt me dat er narigheid van komt." Intuitie is een rationeel proces. Zo denk ik erover. Sommigen menen dat het door hogere, zelfs goddelijke machten ingegeven wordt. Maar intuitie heeft die machten helemaal niet nodig. Als je je verstand en eerder opgedane ervaringen uit je herinneringen gebruikt, samen met de dingen die je ziet, hoort, ruikt, proeft en voelt, dan kun je veel verklaren. Veel, maar niet alles.


Terwijl ik sta te hannesen met een hedendaagse parkeermeter wachten een man en een vrouw geduldig op hun beurt om de parkeerwacht tevreden te stellen. "Voer uw kaart in," zegt het scherm op de slaapdronken meter. Ik had mijn kaart al ingevoerd, dus trek het ding eruit en voer het opnieuw in. De man en vrouw achter me gaan naar dezelfde bijeenkomst als ik, tenminste, dat zegt mijn intuïtie. “Voer uw pincode in,” verzoekt de meter. De transactie slaagt. Mijn autootje staat de komende vier uur legaal onbemand aan de weg.

Helmut geeft les aan de school voor de journalistiek in Tilburg. Hij nodigde me uit voor een bijeenkomst in de LocHal bij het centraal station van die stad. De bijeenkomst betreft een marathonvertoning van de indrukwekkende documentaireserie Stuk. Twee makers van de serie zouden halverwege de vertoning aanschuiven. Dat deden ze, maar zover zijn we nog niet.

Ik loop de LocHal binnen via de ingang aan de Burgemeester Brokxlaan. Liefde op het eerste gezicht, meteen totale overgave. Lang geleden werden in deze hal locomotieven gerepareerd. Grote onderhoudszuchtige machines vragen om veel ruimte. De LocHal is dan ook enorm. Nu staan er duizenden boeken in een magnifiek opgekalefaterd interieur. De bibliotheek is erin ondergebracht. Ik loop in een rechte lijn door naar het andere uiteinde en houd, door verrukking snakkend naar adem, halt bij de koffiebar. Koffie drinken in een ruimte zo ruim en zacht dat je er bijna in oplost. Ik geloof niet dat ik ooit gastvrijer ben ontvangen. Niemand wees me de weg, niemand trok aan me. Hier mag ik zijn. Ik draai me om, loop de brede betonnen trap op en betreed de Stemmingmakerij, een bescheiden, maar verrassend smaakvol ingerichte plek voor lezingen en vergelijkbare initiatieven. Helmut heet me welkom.

De documentaireserie Stuk moet je zien om te geloven hoe goed die is. In vier afleveringen worden een tiental revalidanten en medewerkers van een revalidatiecentrum aan zee gevolgd. De camera zit hen dicht op de huid en toch lijken ze de aanwezigheid van de filmploeg nauwelijks op te merken. Daarbij hebben de makers hele bijzondere keuzes gemaakt bij het schieten en monteren van de serie. Wees gewaarschuwd: veel kans houd je het niet droog tijdens het kijken van Stuk. Maar dat is niet erg.

Ik ga zitten op een rechte stoel in het midden achterin. Links en rechts van me zitten zo’n twintig studenten, journalisten in spe. De man en de vrouw van de parkeermeter komen binnen. “Hee!” zegt de vrouw als ze me opmerkt tussen de jongeren – wat overigens niet moeilijk is. Helmut geeft een korte inleiding en start aflevering 1. Na krap tien minuten zie ik al twee studenten met een wijsvinger rondom hun ogen wrijven. Een enkeling zucht. Om mezelf niet helemaal in het gebodene te verliezen kijk ik de ruimte rond. Zes bij tien meter, twee halve cirkels met comfortabele gestoffeerde banken in roodtinten, rondom sliertgordijnen van nylondraad in de kleuren geel, oranje, rood, groen en zwart. De leidingen aan het plafond zijn niet door een verlaging weggewerkt, wel is alles van een laagje matzwart voorzien. En dan is het pauze, een kwartiertje. “Ik word hier veel te lam van,” zegt een studente. Ze draagt een roze ruwwollen colbert en rekt zich uit. Ik loop even de LocHal in en geniet opnieuw van de ruimte. De betontrap leidt me naar de stilteruimtes bovenin. Het is er inderdaad heerlijk rustig.

“Sommige mensen vinden het niks. Die vonden de oude bibliotheek prettiger,” vertelt een medewerker van de bibliotheek nadat ik zijn nieuwe werkomgeving met complimenten overladen heb. “Maar misschien zijn ze gewoon even de weg kwijt, zoals wanneer je als Jumbo-klant besluit te gaan winkelen bij de Coop.” Hij vindt het fijn dat veel jongeren de LocHal aandoen. “Daar wordt het zo dynamisch van. Maar niet luidruchtig. Geluid lost hier op tot een aangenaam geroezemoes.” Ik knik instemmend en hij wijst me op een zestientons hijskraan helemaal bovenin de hal. “Ik heb niet veel verstand van techniek,” geeft hij toe. “Maar daarmee tilden ze dus een trein op.” Ik weet dat een trein vele malen zwaarder is dan zestien ton. Toch houd ik mijn mond, want het beeld van een locomotief die aan dikke kabels door de hal zweeft is er een om te koesteren.

De pauze is voorbij, ik zit weer. “Huilen is ook goed, hè!” De vrouw van de parkeermeter spreekt een studente met gezwollen ogen bemoedigend toe. Het meisje wappert met beide handen haar ogen droog. Ze krijgt een tissue van een studente naast haar en zet zich schrap voor aflevering 2.

De serie is een emotionele achtbaan. Ze sleurt de kijker mee van humor naar diep verdriet, van aangenaam verrassende zijwegen naar welgemeende medemenselijke warmte. De zinnen van de voice-over laten zich genieten als literatuur. Een snik ontglipt de studente rechts van me. Een aantal onvergetelijke scenes later is het weer pauze. Over een half uur schuiven regisseur Jurjen Blick en interviewer Soraya Pol aan. Paul White zal hen vergezellen. Paul is één van de hoofdpersonen in de serie. Hij is vanaf zijn middel verlamd na een val van de trap.

De pauze gebruik ik voor koffie en een taartje in de koffiebar. Ik zit nog niet of een man, die ook in de zaal zat, spreekt me aan. Binnen een minuut weet ik dat hij afgekeurd is en dat hij als vrijwilliger voor een lokale omroep werkt. In de tweede minuut – koffie en taart worden uitgeserveerd – zitten we samen te kijken naar een fragment van Jesus Christ Superstar op zijn mobieltje, uitgevoerd door plaatselijke talenten. Ik houd niet van musical, maar dat zeg ik niet. De man zong jaren geleden zelf de Judas en zit daar nog steeds vol van. Jesus Christ Superstar is zijn absolute favoriet en wie ben ik om zijn enthousiasme te krenken met mijn afkeer van het genre. Er branden lichtjes in zijn ogen. De man overtroeft zijn lichamelijke ongemak met een positieve levenshouding van het melancholieke soort. Slechts heel even dwaalt mijn aandacht af naar een gigantische tafel vlakbij. Dit meubel meet zo’n drie bij zes meter. Om iemand aan de andere kant ervan de hand te kunnen schudden, moet je er languit op gaan liggen. En toch doet de enormiteit van de tafel de sfeer goed. Drie groepjes van drie personen hebben er gelijktijdig een werkoverleg aan zonder elkaar te storen. Opeens valt het me op dat het duimendikke tafelblad op het onderstel van een oude wagon ligt. Mijn gesprekspartner steekt inmiddels de loftrompet over een stagiair die als grafisch ontwerper prachtig werk maakt voor zijn omroep. “Wat hebben die jongelui dat toch gemakkelijk.” We maken aanstalten om terug te lopen.

Jurjen, Soraya en Paul zijn gearriveerd. Helmut opent het gesprek en maakt daarna de weg vrij voor vragen uit het publiek. De journalisten in spe lusten hier wel pap van. Anderhalf uur later kondigt Helmut de laatste vraag aan. Het worden er twee. Wat er in die anderhalf uur allemaal gezegd is, zou ik hier graag weergeven, maar ik zal u tegen mij in bescherming nemen. Ik heb anderhalf uur lang genoten. Iets zegt me dat er narigheid van komt. Maar wat? Verdorie, mijn auto! Het vehikel staat al ruim een half uur illegaal onbemand aan de weg.

terug

nimmer

zo

gastvrij

ontvangen