Tijgerprint

- 14 June 2019 door Edwin Timmers -

Er wordt gezongen in de Majorcabar. Op klaarlichte dag. De deuren staan wagenwijd open. Het terras is goed bezet. Dat is het hier altijd op klaarlichte dag. Het gelal binnen stokt. "Hey Antoinetje!" roepen de zangers in koor. Een vrouw passeert het terras op een e-bike en steekt vol overgave haar rechterarm kaarsrecht de lucht in. Weg is ze weer. Antoinetje heeft haast. De mannen hervatten hun gezang.
"Dit is dat liedje,” zegt de vrouw aan het tafeltje naast het mijne tegen haar partner. Met een hoofdgebaar wijst ze naar de zanggroep binnen. Ze vindt het een mooi liedje. Haar partner, een doorrookte kerel, bouwvakkersbruin, draait zich naar mij toe en tilt de asbak van mijn tafel: ‘’Heb jij die nodig?” Hij begrijpt het dat ik het ding niet nu, maar misschien straks nodig heb.

Ruim vijftig terrasgasten, de meeste op de fiets. Oudere mannen dragen petjes. Geen coole petjes, sommige met het logo van een tractormerk. Een kleine oma valt op omdat ze een dreumes hoog in de lucht houdt teneinde haar neus tegen diens achterwerk te drukken. De kleine geniet van de korte luchtreis. Oma loopt met hem op de arm naar haar fiets om een plastic zak met schoon gerei uit de fietstas te plukken.

De zangers komen in polonaise naar buiten. Ze dragen witte T-shirts waarop in groen ‘Kampioen 2018/2019’ gedrukt is. Een van de voetballers werkt hier, zegt de serveerster die mijn glas bier brengt. Mijn bouwvakkersbruine buurman drinkt ook bier. Hij is kort van stof. Zijn partner begint met een cola. De polonaise gaat het terras af de hoek om. Zingend stappen de kampioenen in claxonnerende auto’s. Den Dungen mag weten dat er winnaars onder hen verkeren.

Op de bankjes tegen de glazen terrasafscheiding zitten drie stellen, elk met een eigen tafeltje. Ze kennen elkaar niet of nauwelijks, maar praten wel met elkaar. De zucht naar een mooi verhaal. En de wens om hetzelfde verhaal nog eens tegen een nieuw gezicht te vertellen. "Ze zeggen dat ik op ons vader lijk,” zegt een van de mannen. Zijn vrouw knikt ter bevestiging. De andere vier geloven het, maar kunnen zichtbaar niet veel met die informatie. Ze kennen zijn vader niet. Het zal een bescheiden man geweest zijn.

De Majorcabar was tot een paar jaar geleden populair als stapkroeg voor met name dertigers. Op zondagen hing het er met de benen buiten. Er werd stevig gedronken. Seks in de auto en af toe wat mot op straat. Vanwege gedoe wijzigde de eigenaar de koers van zijn zaak. Nu maakt hij tussen het opnemen en uitserveren van bestellingen door praatjes met gasten die hij misschien nog van toen kent. “Da's effe geleden dat we hier geweest zijn,” zegt een vrouw tegen hem op een toon waarop ervaren echtelieden tegen elkaar praten: vlak en vertrouwd. Ze draagt een strak groen jurkje met de onverwoestbare tijgerprint. Het moederschap krijgt haar niet klein, ze overtroeft haar twee brave kleuters en haar man, die op zijn goeiigheid vertrouwt getuige het vale, donkergrijze T-shirt dat hij op een driekwart spijkerbroek draagt.

De eigenaar pakt door. “Wat was dat nou?” vraagt hij aan mijn bouwvakkersbruine buurman die zijn derde sjekkie opsteekt. “Een bacterie of iets?” Mijn buurman haalt zijn schouders op. “Geen honger. Ik eet alleen maar op commando. Ik weet niet wat het is. Ik voel mezelf zo gammel als ik weet niet wat. Ik weet niet wat het is.” Zijn partner draagt een bontgekleurd bloesje met tijgerprint. Wat er ook speelt, ze krijgt de lach niet van haar gezicht.

Verderop zitten kinderen opgevouwen in een stoel. Onrustige ledematen en een beugel, spelend met de ijsklontjes in een leeg glas. Jonge vaders dragen een zonnebril op hun haar. Het zijn de ouderen die de sfeer bepalen. Ze kletsen erop los. Een praatcafé in de openlucht, opvallend anders dan terrassen aan zee of aan markten in de stad waar mensen graag zitten om, zoals men zegt, mensen te kijken.

Tegen drieën zou het gaan regenen. Geen mens die zich daar druk om maakt. Het is half vier en droog. Een baby met een ijsbaard. Een baby en twee peuterbroertjes. Hun vader en moeder en oma werken eendrachtig als een goed geolied team zoveel mogelijk softijs bij hen naar binnen terwijl ze zelf aan een ijsje likken. Behalve de baby, die naar me lacht, heeft geen van hen oog voor de wereld rondom. Ik vind dat de moeder op oma lijkt. Ze hebben dezelfde mond.

De opgevouwen kinderen, een jongen en een meisje, zetten zich recht en beginnen zich te vervelen. De jongen speelt met de zoutmolen en likt de korrels uit zijn handpalm. Het meisje legt haar handen onder haar bovenbenen op de stoel en wiebelt met haar onderbenen. Beiden zijn bezig, maar vermaken zich niet. Als schichtige hondjes werpen ze snelle blikken op het terrasvolk. Ze kunnen niet geloven dat dit leuk is. “Wen er maar vast aan,” lijken hun ouders met dit bezoek te willen zeggen.

Mijn bouwvakkerbruine buurman voert een merkwaardig gesprek over puffen met de eigenaar. Iedereen die zwangerschapsgym onderging weet wat puffen is. Mijn buurman beweert dat de eigenaar zijn bewustzijn verliest als hij tien minuten puft.

Het is hier een komen en gaan.
Mijn tweede pilsje stroomt snel door. Boven de urinoirs hangt een condoomautomaat. Inworp twee euro. Rubbers van het merk Euroglider. Een passende naam, want je krijgt er twee voor twee euro. Een voor het oefenen en een voor het echt.
terug

een

voor

het

oefenen