Time is on my side

- 07 June 2017 door Edwin Timmers -

Norma en Jans doen een stapje terug in het cafe van Gemeentemuseum Den Haag. Ruim een uur dwaalden ze door de zalen van dit gebouw. Het duizelt me, had Jans gezegd. In het cafe sluiten ze aan in de rij aan de bar. Een jongeman sluit achter hen aan. De dames voelen zijn aanwezigheid en kijken tegelijk om. “Hoi,” zegt hij. “Hallo,” mompelt Jans. “Zo!” reageert Norma. “Jij hebt er duidelijk zin in.” De jongeman straalt van oor tot oor. Als Jans het dienblad met twee koffie en twee stukken taart van de bar neemt, vraagt hij of hij bij hen mag komen zitten. Jans kijkt naar Norma en haalt heel snel haar schouders op. Norma vindt het prima. “Gezellig,” zegt ze. Hij is blij en bestelt een koffie.
Jans parkeert het dienblad op een tafeltje. Norma pakt het theekopje van een vorige bezoeker van tafel en veegt met haar andere hand de broodkruimels op de vloer. De stoel is nog warm, merkt Jans. Norma haalt een stoel bij een andere tafel, waarop ze de theekop zet.

“Mooi hier,” zegt Norma terwijl ze haar ogen de hoge, met glas overdekte binnenplaats laat rondgaan. Jans knikt en klikt een zoetje uit een doosje dat ze uit haar schoudertas haalde. De jongeman zet zijn koffie op tafel en pakt een stoel van de tafel ernaast. Hij stelt zich voor met een soepel toegestoken hand. ”Tjerk. Tjerk.”

“Ben je een danser?” vraagt Norma.
“Euh, nee,” zegt Tjerk. “Wel kunstenaar. Maar hoezo?”
“Je arm danste mee met je handdruk.”
Norma plukt wat volume in de mouwen van haar blouse. “Kom je bij ons aan tafel zitten omdat je kunstenaar bent?” Jans werpt haar een strenge blik toe.
“Eigenlijk ben ik onderdeel van de collectie. Onderdeel in wording,” zegt Tjerk.
Norma lacht en Jans voelt zich ongemakkelijk.
“Sorry, Tjerk,” begint Jans. “Wil je asjeblieft niet ook zo moeilijk gaan doen. Ik vind museumbezoek echt heerlijk, maar … euh … hoe zal ik het zeggen … euh, ik snap er niks van. Snap je? Ik weet dat Mondriaan een groot en belangrijk kunstenaar is, maar ik zie het niet. Voor mij is een museum een soort tempel. Er hangen allemaal dingen aan de muur die aanbeden worden. Dingen die … hoe heet dat ook alweer, Norma? … sacraal, juist, dingen die sacraal zijn.”

Tjerk gaat er voor zitten. Hij is performance artist en conceptueel kunstenaar ineen. Min of meer. Hij gelooft in het gesprek als kunstwerk. “Je kunt je niet opdringen. Je kunt niks afdwingen. Het moet gebeuren. Stel dat wij een gesprek gaan hebben. Hoe gaat zich dat bewegen? Ben ik louter gesprekspartner? Mag ik het gesprek sturen? Geef ik mijn gesprekspartners de ruimte hetzelfde te doen? Wij drieën samen maken iets, net als de lezer en de schrijver samen het boek maken.”
Jans haalt het kopje van haar lippen en schudt haar hoofd: “Vaag.”
Tjerk lacht. Norma legt een hand op de arm van Jans en glimlacht.
“Chris Burden, de kunstenaar, performance artist, liet zich in de zeventiger jaar beschieten met een geweer. Kunst die de werkelijkheid op zich laat inwerken in plaats van er iets over te zeggen. Verdorie, nu denk ik gelijk aan Fontana die met een mes in een schilderij sneed en daarmee ook de werkelijkheid liet inwerken op het kunstwerk. Wil jij dat ook, Tjerk, net als Burden een levend kunstwerk zijn?”
Tjerks ogen worden groot. “Ik moet toegeven dat ik deze opmerkingen niet vermoedde toen ik jullie zag.”
“Ouwe troela’s dacht je zeker,” zegt Jans. Norma proest van het lachen. Tjerk bevestigd met een knik. Norma gooit er nog een schepje bovenop:
“Ian Wilson. Vanaf eind jaren zestig maakte hij kunst van mondelinge discussies die niet opgeschreven mochten worden. Het bewijs dat een discussie had plaatsgevonden werd in een soort contract op papier vastgelegd. En dat werd dan het werk dat tentoongesteld kon worden. Is Wilson ook een inspirator, Tjerk?”
“Zekers te weten!” roept hij. “Kijk, ik ben kunstenaar en kunstwerk ineen. Dat wil ik zijn, dat word ik. Jullie zijn de werkelijkheid. Cruciaal is mijn besluit mezelf kunstenaar te noemen, en het gesprek mijn kwast en palet, en mijn geheugen mijn doek. In het gesprek ontwikkel ik mezelf als kunstenaar en ontwikkelt tegelijk mijn kunst. Mijn werk is ‘zichtbaar’ als ik spreek.”
Norma kijkt op haar horloge en Jans steekt met de vork een stuk van haar taart.
“Sorry, Tjerk,” zegt Jans, “maar hoe ga je hier geld mee verdienen?”
“Haha. Goeie vraag. Ik weet ’t niet. Ik kan me voorstellen dat ik als kunstwerk en kunstenaar groei. Misschien word ik daardoor duurder.”
Jans snapt het wel en snapt het niet. Misschien wil ze het niet snappen: “Als ik Rembrandts werk zie, zie ik kunst die eeuwigheidswaarde heeft. Toen was het mooi en nu is het mooi. Zal jouw werk over honderd jaar nog mooi zijn? Is het niet wat tijdgebonden. Nu hip, morgen uit.”
Tjerk krabbelt over zijn stoppelbaard: “Waarheid is tijdgebonden.”
“Waarheid tijdgebonden?” verzucht Jans. “Tijd verdoen. Je verdoet je tijd, Tjerk. Maar misschien is dat wel wat kunst boven alles in onze huidige wereld uittilt. Tijd is er niet per se geld.”
“Dat maakt mij als jongere in deze tijd wellicht ook uniek. Net als jullie, gepensioneerd naar ik aanneem, neem ik de tijd voor kunst, voor de schoonheid. Jullie hebben in tegenstelling tot veel jongeren die door het systeem gedwongen zijn geld te verdienen, tijd genoeg om kunst te gaan bekijken, om jezelf erin te verdiepen.”
Norma zet de kopjes terug op het dienblad.
“Tjerk, jongen, wij hebben precies zoals jij zegt tijd genoeg. Binnen de dag hebben wij tijd genoeg. Maar vergeet niet dat ons minder tijd rest dan jij nog hebt. En de schoonheid waar je naar zegt te streven, heb je nu. Over een aantal jaren ben je oud en lelijk, net als wij, en is je denken vastgeroest. Over een aantal jaren ben je een verlept kunstwerk. Gebruik je tijd goed, jongen, nu je ‘m nog hebt.”

Norma plukt volume in de mouwen van haar blouse en schuift haar stoel naar achter. “Zullen we weer, Jans. We hebben nog een uur.”

Tjerk straalt van oor tot oor.
terug

kunst

met

de hoofdletter

K