Tot ooit

- 22 August 2017 door Edwin Timmers -

Een paar weken geleden blogde ik hier over een interview dat ik had met een jong stel dat voor onbepaalde tijd op reis gaat. Zondag vertrokken ze en de vrijdag ervoor hadden ze een afscheidsfeestje, waarvoor ik ook was uitgenodigd. Mijn eerste afscheidsfeest, besefte ik.
Het zag eruit als een gewoon feest. De grote tuin van de ouders van een van de reizigers was vrolijk ingericht, met lichtsnoeren, een bar, zitjes en een hoek waarin de terreinwagen was opgesteld. De tachtigtal aanwezigen keken niet bedrukt en zagen er picobello uit. Jongemannen in strak overhemd of T-shirt op een spijkerbroek en meiden in fantasierijke jurkjes van dunne stof.

Hoe zit dat met een cadeau voor een feestje van mensen die in de maanden ervoor al hun spullen hebben verkocht?

Ik arriveerde met lege handen en kuste de vrouw van het vertrekkende stel. Ze was hyper, wat ik me kan voorstellen, haar ogen en aandacht schoten alle kanten op. Hij was rustig en stond bij de terreinwagen, hun huis voor het komende jaar en de onbepaalde tijd daarna. Toen ik twee uur later naar huis ging, stond hij nog steeds bij de wagen, met een vijftal mensen om hem heen. De wagen was zijn houvast deze avond. Zijn manier van omgaan met afscheid.

Ik sprak zijn tante, een treinmachinist. Haar collega maakte met zijn vrouw ooit een vergelijkbare reis. Hij werd gegijzeld en kwam pas drieënhalf jaar later weer vrij. “Ik heb hem maar niet verteld dat mijn neefje ook zo’n reis heeft gepland,” vertrouwde de tante mij toe. “En mijn neefje heb ik niet verteld dat mijn collega dit overkomen is.” Ze maakte zich zorgen: “Ze is zo mooi, zo spontaan. Dat zien niet alleen wij.” Maar ze gunde hen het avontuur, iets waarvoor ze lang geleden zelf ook had gekozen. Haar bezorgde stemming weerhield me ervan door te vragen over haar beroep.

Omdat de enige twee mensen die ik op dit feest kende hun aandacht verdeelden over de andere aanwezigen voor wie afscheid nemen waardevoller was, stelde ik me maar voor aan de ouders van het vertrekkende stel. Allemaal vonden ze het spannend en praatten het avontuur van hun kinderen in hun eigen hoofd met moeite recht, wat nog altijd recht is. Stuk voor stuk hele fijne mensen.

Via een van de twee vaders kwam ik in gesprek met een jonge vrouw, een maatschappelijk werkster. Signaleren van problemen bij zorgmijdende personen en gezinnen maakte deel uit van haar werk. Wat een verhalen. Ze vertelde zorgvuldig, zonder bravoure, sensatiezucht of dikdoenerij. In haar kraakheldere gezicht stonden twee licht gebolde donkere ogen die me permanent rustig polsten of ik alles wat ze zei wel begrepen had. Haar taalgebruik was net zo helder als haar gezicht, haar articulatie om van te watertanden. Ze produceerde keurige breiwerkjes van ritmisch tikkende woorden. Hierdoor verloor ik mijn focus op de betekenis ervan, anders gezegd: ik wist eigenlijk niet meer waarover ze het had. Tijd om naar huis te gaan dus.

Ik zocht naar het feestende stel. Hem vond ik bij de auto: “Nou, tot ooit dan, hè!” Haar vond ik overal en nergens. Ze fladderde op engelenvoetjes tussen de aanwezigen. Haar vochtige ogen glansden.
terug

Mijn

eerste

afscheidsfeest