Twee reebruine ogen

- 15 June 2017 door Edwin Timmers -

Twee reebruine ogen, die keken de jager an. Een stukje refrein van het liedje Twee reebruine ogen, waarmee De Selvera's in 1956 een hit scoorden. De ogen keken de jager niet aan, maar an. De tweede regel in het refrein eindigt namelijk op kan. Rijmdwang.
De reebruine ogen kregen een verrassend andere betekenis in het verhaal dat een man me vertelde op de receptie ter gelegenheid van de opening van het nieuwe pand van een reclamebureau. Ik denk dat de man Gerard heet. Zeker weet ik het niet, want het was een gezellige receptie, ondanks de wat trage start.

Ik heb geen hekel aan recepties. Bel me gerust. Als ik geen bekenden tref, ga ik verhalen vissen bij anderen. De eerste man waarmee ik aan de praat raak, is net terug uit Tibet. Hij had er foto’s willen schieten van het Himalaya-gebergte, naar voorbeeld van foto’s van anderen: een woest berglandschap tegen een strak blauwe lucht. In de twaalf dagen die hij er verbleef, was de lucht niet één keer blauw. Het vroor dat het kraakte en het sneeuwde doorlopend. Hij, een Deen, een gids en een paar sjouwers sliepen in hutten waarin het sneeuwde vanwege de kieren. Slapen is het woord niet, zei hij, want slapen bij twintig onder nul is ondoenlijk. Ik vraag hem of de vakantie desondanks een succes was. Jazeker, dat was het. Nog nooit was hij zo blij geweest thuis onder de douche te staan. Volgend jaar de Ardennen? Deze vraag brandt op mijn lippen.

Een onderneemster in de cateringbranche zet haar fles bier op tafel. Haar zelfverzekerde uitstraling doet haar langer lijken dan ze is. Ik deins terug: even herpakken, zinnen op de juiste benadering. Haar stem is laag als die van Margaret Thatcher. Stoer en aangeleerd, maar daarom niet verkeerd. Integendeel. Al snel hebben we het over de bouw. Lang geleden deed ze een korte vakopleiding vloerensmeren. Voor het examen gooiden haar cursusgenoten het op vaardigheid en kracht. Zij gooide het ook op vaardigheid, en daarnaast op het bespelen van de examinator en op het inwinnen van informatie over de inhoud van het examen bij de examencommissie vooraf. Haar eindcijfer was hoger dan dat van haar medecursisten. Ze vertelt het met een brede glimlach terwijl ze haar rug recht door haar schouders op te halen. Nu pas zie ik haar hoge hakken. Ze zet twee flessen bier op tafel: een voor mij en een voor haarzelf. Gerard mengt zich in het gesprek.

Gerard zal eind zestig zijn. Hij werkte – onder veel meer – in de bouw en drinkt graag rode wijn. Hij noemt net zo lang namen totdat ik zeg dat ik de persoon achter die naam ook ken. Een paar keer is het raak, tot zijn grote vreugde. Dertig jaar achtereen werkte hij voor een baas die handelde in computers en aanverwant gerei. Een nog hogere baas uit België gaf eens een feest. Gerard zoekt naar superlatieven om de chique van het feest te duiden. “Tot in de puntjes,” zeg ik. “Precies, tot in de puntjes,” lacht Gerard.

De Belgische baas was al wat ouder. Zijn leeftijd was kennelijk niet van invloed op zijn charmes: de vrouw die hem die dag begeleide was jong, knap en welgevormd. Ze droeg een vormvolgend lang kokerjurkje. “En daaronder niks,” zegt Gerard. “Ze kon het hebben.” De band begon te spelen en Gerard, zelf ook muzikant, kon niet anders dan dansen. Vast dansen, zoals dat heet, met een danspartner die je ten dans vraagt. Gerard vroeg het liefje van de Belgische baas. Lekker vlot dansten ze de vloer op. Halverwege het liedje plaatste Gerard per ongeluk zijn swingende voet op de zoom van het kokerjurkje dat tot de grond reikte. De jonge meid danste nietsvermoedend verder zodat het kokerjurkje door de voet tot aan haar navel omlaag werd getrokken.

Gerard kijkt me ondeugend aan: “Tja, en toen was het van ‘Twee reebruine ogen, die keken de jager an.’”
terug

niets is

wat

het

lijkt