Vast in Venray

- 06 February 2018 door Edwin Timmers -

Nee hoor, ik voelde me niet eenzaam in Venray. Ofschoon ik er van zeven uur ’s ochtends tot half elf ’s avonds mijn tijd doorbracht en een uur na aankomst de batterij van mijn mobiel al leeg was en de oplader thuis. In de auto ernaartoe hoorde ik op de radio de melding code oranje vanwege de wind. Een paar uur later was dit opgewaardeerd naar code rood. Jongstleden 18 januari promoveerde de wind zichzelf tot storm en daarmee tot het gesprek van de dag.
Stiekem hoop ik dat het me vaker gaat overkomen: van het hele stormgebeuren heb ik niets, ook niet achteraf, meegekregen via krant, televisie of sociale media. Alles wat ik ervan weet, zag ik zelf of is me verteld. Alsof ik terug het verleden instapte, naar de tijd dat ’s mans wereldbeeld vorm kreeg in de dorpskroeg. Misschien iets voor Tribe om mobieltjesvrije interieurs te ontwerpen voor het versterken van de sociale cohesie.

Ik was in Venray voor een betonvloer in een kleine bedrijfshal. Een vloer van bescheiden omvang die niettemin spiegelglad moest, wat betekent dat ik tijd genoeg te doden had. Gelukkig stikte het van de mensen die om een praatje verlegen zaten. De metselaars hebben die dag meer woorden gezegd dan stenen gelegd. Letterlijk iedereen had tijd zat. De storm had heel Nederland in zijn greep en bombardeerde zodoende alle inwoners tot lotgenoten. Lotgenoten delen lief en leed gemakkelijker. Een flinke wind verbindt.

Spoedig na het aanzwellen van de storm waaiden een tiental pannen van het dak van het woonhuis tegenover de bedrijfshal. De eigenaar stond hierna drie uur lang op straat mensen te waarschuwen voor vallende pannen. Telkens als hij mij zag, wenkte hij me voor een praatje over wind.

Een betoncollega ging thuis een paar machines ophalen. Hij was later dan verwacht terug. Overal lagen bomen op de weg. Dit dwong hem om telkens zijn route te wijzigen. Ik stelde het me voor als een spelletje Pacman. In de tijd dat mijn collega peentjes zweette in zijn auto, was ik het centrum van Venray ingelopen voor een pakje shag. De vrouw van de tabakszaak vond de storm maar eng. Ze zei het en daar stoof een terrasstoel over straat voorbij. Meteen nadat ik het centrum uitliep, spanden brandweerlieden en politiemannen rood lint over de weg. Niemand mocht het centrum nog in vanwege vallende pannen.

Vroeg in de avond kwam een dakdekker met twee aangelijnde hondjes langs bij de bedrijfshal. Met een bezorgde uitdrukking op zijn gezicht gaf hij toe dat hij vandaag goede zaken deed: “Al zestig adresjes gehad.”

De eigenaar van de hal en de aannemer vertelden elkaar urenlang verhalen over de meest uiteenlopende onderwerpen. Toen mijn collega en ik om half elf ’s avonds vertrokken, praatten ze gewoon verder. De aannemer bleek trouwens al zijn vrije tijd in boeken en reizen te steken. Tijdens het kerstreces las hij een biografie over Cleopatra. We zaten in de schaftkeet toen hij hierover begon. Nadat hij dit had opgebiecht keek hij wat onzeker naar de vloer.

“Heeft ze nou echt een relatie met Ceasar gehad?” vroeg ik hem. “Of heb ik dat uit Asterix en Obelix?” De twee knokkende Galliërs breken altijd het ijs als het gespreksonderwerp geschiedenis moet zijn. Mijn collega draaide de kachel hoger en loodste het gesprek naar de Eerste Wereldoorlog, doch pas nadat de aannemer had bevestigd dat Ceasar inderdaad een relatie met Cleopatra heeft gehad. Via Eerste Wereldoorlog stootten we aan de hand van de boeken van Geert Mak door naar de Tweede om even later te stranden in Polen. Diep in dit Oost-Europese land had de aannemer geluk gezien in, naar hij vermoedde, mobieltjesvrije gemeenschappen: “Alsof de tijd er heeft stilgestaan.”
terug

al

zestig

adresjes

gehad