Verbinding verbroken

- 05 July 2017 door Edwin Timmers -

Heel lang geleden zei mijn vriendin dat ik knuppelduimen heb. Voor haar een bewijs voor mijn felle, ietwat agressieve inborst. Toen ik terugbeet dat ik het een sociaal darwinistisch idee vond, gaf ze me een knietje. Ik zie mezelf meer als een verbinder, tegen wil en dank.
Alsof er een scheet overdwars zit. Onrust zit in mijn botten. Meestal kan ik dan beter maar niet naar een sociale happening gaan. Mijn hoofd gaat dan tollen. Ik besluit dat het scheetje klein is en ga verder met tandenpoetsen, zodat in ieder geval mijn gebit straalt tijdens het feestje.

Ik maak deel uit van de kern van een soort creative community die wat te vieren heeft deze avond. Rondom deze kern levert een flinke groep andere mensen zijn bijdrage bij de totstandkoming van het product. Deze groep rondom kijkt een beetje op tegen de kern en dat vind ik niet nodig. Mijn inzet is dus het uit de weg ruimen van die gevoelsbarrière. Verbinden, ik zei het al.

Het loopt lekker, ik heb het naar mijn zin. Gesprek na gesprek, ik lijk wel een huisarts. Na ruim een uur praat ik met zeven mensen tegelijk. Om mij heen staat een kring. Dit wordt wat ongemakkelijk, dus ik stap eruit en wurm me tussen de anderen.

Een vijfenzestigjarige etterbak maakt opmerkingen over de achterkant van mijn kapsel. Dat het vlekkerig is of zo. Onbegrijpelijk gemompel in letterlijke zin, kraakhelder van strekking. Denigrerende opmerkingen maken over iemands uiterlijk vind ik ontzettend laag. Nog lager in de informele setting van een feestje, waar het geen enkel politiek doel dient. In de vijfenzestig jaar dat hij op deze bol rondkruipt had hij beter moeten weten. Dat de overjarige etter iets zegt over mijn kale kop (bovenop althans, gemillimeterd aan de zijkanten) deert me niet, het gaat mij erover dat hij zich bij wijze van introductie – want ik heb hem nooit eerder ontmoet – louter bezighoudt met het uiterlijk van de persoon waarmee hij zich, zo blijkt uit zijn aanspreken van mij, wil onderhouden.

In een wip sta ik in aanvalsstand, met een dikke staart recht omhoog en mijn oortjes strak naar achter tegen de schedel gedrukt; ik laat mijn tanden zien. Tot zover mijn innerlijk. In werkelijkheid speel ik zijn spel nog even mee als een charmante imbeciel. Ik ontkracht al zijn woorden door ermee in te stemmen. Ik neutraliseer hem opdat zijn weke vlees zichtbaar wordt. Desondanks blijft de logge sufferd gevatte dooddoeners debiteren. Breed lachend slik ik alles en ondertussen win ik slinks met kleine tegenvragen informatie over zijn leven in. Deze informatie werk ik bliksemsnel, want vaardig, om tot de volle lading munitie voor een stalinorgel. Nog een paar feitjes en ik ga hem vloeren, verbaal vernietigen: aaaaah! Zo ben ik. O wat heerlijk, hij werkte veertig geestdodende jaren in het verzekeringswezen. Een cijfer- en formulierenfreak, een extremist in aanleg. Daar heb ik wel het een en ander over te zeggen. Ik zet me schrap voor de aanval, maar kijk om onverklaarbare redenen nog snel even naar links en alles kakt in.

Elk feest, elk jubileum, elke collectieve viering van wat dan ook heeft een stel dat alleen zit. Hier ook, kijk, daar links zit het. Een vrouw en man, allebei ergens in de zestig. Hij kijkt wat beteuterd uit bolle ogen, zij kijkt donker en in afgezwakte vorm strijdvaardig. Nu ze me opvallen lijkt de lege cirkel die hen omsluit te midden van tetterend volk zich uit te breiden als de opeenvolgende ringen van Saturnus. Een schokgolf van eenzaamheid. Zouden ze uit de ruimte komen? Bestuderen ze het menselijk gedrag?

Zelfs al zou het een stel aliens zijn, aandacht verdient het. Ik maak me los uit mijn cirkel door een vriendschappelijk bedoelde hand naar hen op te steken. Ik kom in vrede.

“Komen jullie van ver,” vraag ik. Hij is blij met die vraag getuige het speelse rollen van zijn bolle ogen. Zij zegt dat dat afhangt van wat je ver noemt: “Mars, bijvoorbeeld, is verder dan Zaltbommel.” Zij geeft les op een middelbare school en hij knapt oude radio’s op. Kinderen, verhuizing, sterfgeval, groenbak, centrum, lekkere kaas en Spinoza. Mevrouw klaart een beetje op. Een half uur later gaan ze redelijk tevreden naar huis. We spreken af verder te praten als er weer wat te vieren is.

De bucketlist voor deze avond is op een ding na (het enige) afgevinkt: een verblijf aan de bar. Aan de bar praat men over tennis. Ik wist niet dat daar zoveel over te zeggen is. Zoveel ook, dat me geen zier kan schelen. Het gesprek dat ik met de barvrouw aanknoop wil ook niet vlotten. Ik drink mijn pint leeg een verlaat de kroeg. “Houdoe!” Klik!

Helemaal alleen fiets ik door de donkere en verlaten straten. Heerlijk, ik voel het scheetje overdwars wegpiepen. Dit is veruit het beste moment van de avond. Tuut! Tuut!
terug

in

goed

gezelschap

of toch?