Verhalen om in te verdwalen

- 01 December 2017 door Edwin Timmers -

John van Tribe vroeg me 'het verhaal van Tribe' eens op papier te zetten. Ik zette me achter mijn laptop. Na enige tijd drong zich de vraag op wat nu eigenlijk een verhaal is. Moet een verhaal bijvoorbeeld een plot hebben? Moet een verhaal sluitend zijn, dat wil zeggen, moeten alle onderdelen een logische relatie tot elkaar hebben? Het verhaal van Tribe is sluitend, besefte ik. Het laat zich goed opschrijven, het klopt. Prettige bijkomstigheid is dat de interieurs van Tribe me altijd raken.
Mijn gedachten dwaalden af naar andere verhalen, plotloze verhalen. Vertellingen die op het eerste oog niet verder reiken dan de uitgeschreven waarnemingen die ze zijn. Van zulks twee hieronder.

**

Al zolang ik woon in dit rijtjeshuis, fietst ze zo nu en dan voorbij. Altijd op dezelfde manier, hoewel het sporadische plezier van de eerste tijd in de loop van de jaren geheel verdwenen is. Ik zie haar vanuit de keuken. Een lange vrouw met een enigszins uitstaande, dikke bos zwart haar op een bleek langgerekt en uitdrukkingsloos gezicht, waarin niettemin nog resten van een intelligente oogopslag leven. Ze zit laag op een damesfiets, haar schouders hangen af, haar rug neigt naar een bochel. Soms heeft ze een peuk tussen haar lippen. Sinds de eerste keer dat ze voorbij fietste draagt ze dezelfde halflange gewatteerde zwarte jas, ook in de zomer. De jas hangt open, ook in de winter, en accentueert haar hangende schouders.

Ze fietst altijd in het lichtste verzet en tergend langzaam, ietsjes zwabberend. Jarenlang zat haar zoontje achterop, strak tegen haar aangeklemd met zijn armen om haar buik. Het jongetje droeg al heel vroeg een bril met opvallend dikke glazen. Sinds het kereltje zelf fietst, heeft het tirannieke trekjes gekregen die mama nauwelijks raken. Ze is vergroeid met haar stemming. Als een schaduw, een donkere schim, een kille vlaag, trekt ze door de straat. Twee keer zag ik haar partner. Ze waren samen met hun zoontje in de supermarkt. Hun aandacht overschreed de grenzen van het jongetje niet. De man heeft iets embryonaals. Zijn blik is onvolgroeid. Hij staat niet in de wereld, hij hoost het scheepje dat gezin heet.

**

Mijn vriendin en ik staan aan een hoge bartafel in de foyer bij de grote zaal van de Verkadefabriek in Den Bosch. We drinken nog wat na een hele mooie voorstelling. Op een paar meter bij ons vandaan legt de DJ de ene na de andere prachtplaat op de speler. Op een bankje naast de DJ-booth zit een man alleen, ik schat hem vijfenzestig of daar voorbij. Een grijsblauw overhemd op een donkere spijkerbroek. Hij versmalt zich, zit voorzichtig en beweegt zijn hoofd als een in zichzelf teruggetrokken Lange Jan van de Efteling. Zijn dunne benen tegen de bank aan getrokken, puntige knieën. Zijn handen liggen als die van een gebeeldhouwde Egyptische god vlak op zijn bovenbenen, of tegen elkaar gedrukt in de spleet tussen zijn benen. Een blik, zacht als boter, rust in zijn kalende hoofd.

Hij drinkt niets, neemt de wereld om zich heen op als een trage vloeistof. Bij het treffen van zijn en mijn ogen zie ik in de zijne nauwelijks iets oplichten. Hij bezocht dezelfde muziekvoorstelling, maar beweegt niet mee op de vergelijkbare muziek van de DJ. Heel af en toe kijkt hij gedurende het uur dat hij daar zit onbewogen op het scherm van zijn mobiel. Hij is opgestaan. Zijn rechterschouder hangt af, valt me op nu hij een caramelkleurig leren jack heeft aangetrokken en ik hem in het weggaan op zijn rug zie. Naar rechts hellend, trekkend met het rechterbeen, verwijderd hij zich van ons, moeizaam schuifelend doch vastberaden als een schaakstuk, tussen de andere aanwezigen door naar de uitgang. Het zachte bankje waarop hij zat is leeg.

**
terug

wat

is

een

verhaal?