Verse bloemen bij de lunch

- 25 January 2020 door Edwin Timmers -

Je gaat naar een verjaardagsfeest en neemt een flacon shampoo mee in een papiertje met een strik erom. "Vind je mijn haar te vet?" vraagt het feestvarken verbolgen na het uitpakken. Cadeaus zijn persoonlijk en worden dan ook aldus opgevat. Met bloemen trap je niemand op zijn ziel, want bloemen zijn neutraal en altijd mooi. Tenminste, dat denkt men.
Een bos bloemen heet ook wel een boeket of een ruikertje. Het ruikertje heet zo vanwege de geur. Naast kleur, vorm en compositie is geur dus een van de versierfuncties van een bos bloemen. Mmm, maar het verschil met een flacon shampoo wordt dan wel erg klein. Trouwens, lelies stonden vroeger vaak in de kamer waarin iemand opgebaard lag. De geur van die bloem is sterker dan die van een lichaam in ontbinding. Hoe het ook zij, ik ben een groot liefhebber van bloemen.

Sluit je ogen en stel je een saaie ruimte voor. De gezamenlijke douche van een zwembad bijvoorbeeld, met witte tegels tot aan het plafond. Zie je jezelf er rondlopen? Plaats nu een tafeltje in het midden van die ruimte en zet er een vaas met een bos bloemen op. Wat gebeurt er?

Met bloemen breng je een ruimte tot leven, met bloemen geef je die ruimte een ziel. Sommige ruimtes zijn als een boeket. Eetbar DIT in Den Bosch is zo’n ruimte. “O, wat mooi!” was ik geneigd te roepen. Maar ‘mooi’ is niet objectief.
DIT is een smalle zaak in een historisch pand in de binnenstad. Veel ramen, dus heerlijk licht. De entree heeft twee deuren met veel glas. Via de eerste deur kom je in een portaaltje. Hier hangen opgezette hertenkoppen op een plank tegen de muur. Opzettelijke kitsch, net als het belegen behangetje met een dessin van gouden Franse-lelieachtige vormen op een crèmekleurige ondergrond. Via de tweede deur stap je de smalle eet- en drinkgelegenheid binnen. Op de achterwand staat in grote, zwarte kapitalen ZULLEN WE DRY FEB DOEN? NEEEEEEE. Het interieur is eclectisch, een zeer speels samenraapsel van stijlen, van kitsch tot huisvlijt. Rode draad is een hysterisch kleurenpalet, dat ADHD’er-wijze alle kanten op schiet, bont als een pluktuin van wilde bloemen.

Links staat de lange bar, die aan de voorkant betegeld is. De Delfts blauwe tekeningetjes op de tegels zijn onbeholpen, knullig, geen kunstwerkjes. Boven de bar hangt een lamp van dun, verzinkt plaatstaal. Er komt oranje licht uit. Aan de bar staat een tiental lage krukken, vervaardigd uit multiplex door een handig mannetje, de constructie is onopvallend eenvoudig. Op een felgele na zijn ze allemaal lichtgrijs. Die ene gele tussen de grijze bekoort me, een doorbreking van het ritme die de rij spanning geeft. Dergelijke afwijkingen, doorbrekingen van het ritme, tekent deze zaak. Vrolijke onrust, niet in te tomen creativiteit, angst voor eentonigheid. De lak vertoont slijtplekken. Als de slijtage doorzet wordt DIT na verloop van tijd een fleurige variant van een doorleefd bruin café.

Een van de vrouwen van de bediening kijkt omhoog terwijl ze aandachtig luistert. “Hoor jij iets raars?” vraagt ze. “Een ruis of zo?” Ik schud mijn hoofd, ik hoor zachte soulmuziek, verder niks. Dit maakt haar blij, want als ik niks vreemds hoor, heeft zij de ruis in de luidspreker verholpen. Ze vraagt of ik koffie wil.
Het is maandag, twaalf uur, ik ben de enige klant. Een halfuur later zijn alle plekken bezet. Opvallend veel jongelui. Zelfs meisjes van dertien, misschien veertien jaar, scholieren. Heel zelfverzekerd zijn ze nog niet, maar hun gemak verraadt dat ze vaker een lunchcafé binnenstapten. Wat beweegt hen om op die leeftijd op maandag je zuurverdiende geld uit te geven aan een flesje tonic of ander fris? “Da’s niks bijzonders,” verzekert een 20-jarige student marketing en communicatie me die avond nog. Als het niks bijzonders is, dan houd ik erover op. Naast me zitten twee mannen van tegen de vijftig. Uit hun gesprek maak ik op dat ze op kantoor werken. Achterin, aan een hoge tafel zitten acht mid-twintigers. Allemaal hebben ze een groot glas witte wijn voor hun neus. Maandagmiddag!

Het roerstokje bij koffie is een houten handgreepje van een ijslolly en de traktatie is een kleinverpakte Koetjesreep. Ik blader door de menukaart die tegelijk een magazine is. Er staan veel foto’s met grappige bijschriften in, meme-achtig vertier, zeer vermakelijk. Ook staan er, heel slim, advertenties van lokale ondernemers in dat magazine. Placemats ramvol reclames is iets uit de oude doos. Een gesponsorde menukaart is nieuw voor me. O, voor ik vergeet, in het magazine is een wandelroute opgenomen die langs winkels gaat die je in andere steden niet ziet.

Ik kijk naar boven en huiver. Systeemplafond! Kan iemand alle systeemplafonds naar de maan verbannen? Gelukkig is het personeel vriendelijk, ontspannen en goedgemutst. Ze dragen een zwarte polo op een zwarte legging. Een zwart werktenue in een fleurige zaak valt op. Achterop de polo is in witte contourlijnen een bos bloemen in een vaas gedrukt.

Ik zit aan een hoge tafel op een hoog bankje tegen het raam. Alle ramen hebben gordijnen in conflicterende kleuren en dessins. Wat een spotternij, wat een levenslust. Links van me, in een beschut hoekje, staat een witte lage tafel waaromheen drie crèmekleurige en evenzoveel fluorescerend oranje stoelen zijn geplaatst. Een frisse combinatie, temeer omdat centraal op de tafel een Chinese vaas met een goed gecomponeerde bos bloemen is geplaatst. Verse bloemen, de ziel van de zaak.
terug

een

van

de

versiertrucs