Vetluis

- 31 May 2017 door Edwin Timmers -

Zeg Neel, je was stinkt. Heb je luis in je machine?Jacques zit aan de bar. Neel zette een minuut geleden een volle wasmand op de twee krukken naast hem.
Waarom moet je dat nou zeggen? vraagt Neel. Walging druipt van haar gezicht als ze een snelle blik op Jacques’ biersnor werpt terwijl ze driftig het rooster onder de toog opwrijft.
Omdat je was een luchtje heeft.
Heb je er last van dan?
O nee, zegt Jacques. Ik dacht, misschien kun je er iets mee.
Ik kan er niks mee, Jacques. Neel komt achter de bar vandaan en loopt met de wasmand naar het berghok achterin. Jacques is een klootzak, denkt ze. Gon, zijn vrouw, moet me wel dankbaar zijn dat ik haar man hier nog steeds toelaat. Maar ach, hij betaalt. En zoals je door de jaren heen gehecht raakt aan een lelijk gebouw aan de overkant van de straat, raak je gehecht aan een rioolgast als Jacques. Lief is ie niet, maar zijn grafstemming is wel constant.

“Vetluis heet het, Marcus. Mijn vrouw had er ook last van.” Jacques is een volhouder. Marcus zit op een metertje of vier bij hem vandaan aan de bar, net voorbij de knik.
“In haar bed zeker,” reageert Marcus. Hij lacht met lichte schokjes. Het bier in zijn glas gaat er van golven.
“Da’s andere luis sinds die labrador van haar mijn plek heeft ingenomen. Weet je wat ze zei toen ik er iets van zei?”
Marcus bestudeert een bierviltje. Dat doet hij altijd als hij in gedachten is bij het ongeluk vier jaar geleden.
“Weet je wat ze zei?” herhaalt Jacques.
“Euh, nee. Weet ik niet.”
“Vol is vol, dat zei ze,” zegt Jacques. “Vol is vol. En leeg is leeg, Neel.”
Hij houdt zijn glas op naar Neel die terug is van achter.

De kerkklok slaat twee keer. Buiten vergaapt een ploeg stratenmakers zich aan de billen van een passerende jongedame met een bontje en een grote zonnebril met een felgroen montuur. Twee tellen later stapt ze Neels bar binnen.
“Hoi Neel, hoi Jacques, hoi Marcus.”
“Dag Janine,” zegt Neel. Jacques en Marcus knikken een keer. Neel zet Jacques’ verse pint voor hem op de bar. Hij knikt. Janine gaat zitten aan een tafel bij het raam. Zo kunnen de stratenmakers tenminste van haar genieten.
“Bessen met jus?” roept Neel.
“Lekker!” antwoordt Janine, die als een bezetene op haar telefoon tikt.
“Wat ga je daar nou aan doen?” vraagt Jacques. “Aan dat luchtje van je was.”
“Nieuwe kleren kopen, Jacques, van al het geld dat ik aan jou verdien,” roept Neel vanaf Janine’s tafel.
“Dank je,” zegt Janine. Ze kijkt heel even op van haar scherm.
Jacques vraagt zich af hoe hij dag in dag uit toch weer naar huis gaat. Op basis van wat beslist hij dat.
“Zeg Neel, drink ik elke dag evenveel?” Neel lacht en wil juist antwoorden als ze wordt verstoord door hevig gesnik. Janine heeft haar gezicht in haar handpalmen verstopt. Neel kijkt naar Jacques, Jacques kijkt naar Marcus en Marcus kijkt naar Neel. De stratenmakers laten hun gereedschap vallen. Niemand weet wat te doen. Deze stoere meid. Huilen. Marcus rolt het bierviltje als een rozenkrans door zijn vingers.

Jacques staat op en loopt richting Janine. Hij keert weer terug, pakt zijn bierglas en loopt opnieuw naar Janine. Hij zet zijn glas op haar tafel en gaat tegenover haar zitten. Janine houdt een snik in en kijkt vlug even over haar handen. Jacques kijkt naar buiten en maant met een knikje de stratenmakers hun werk te hervatten. Dat doen ze. Hij legt zijn onderarmen op tafel en kijkt uitdrukkingsloos naar de snikkende schoonheid voor hem. Langzaam verstomd het snikken en daarmee alle geluid in de kroeg. Even later legt Janine haar armen op tafel en schenkt Jacques een betraande glimlach.
“Is ie dood?” vraagt hij. Janine knikt.
“Ik ga wel met je mee, meid. Geen probleem. Laat maar weten wanneer.”
Janine schenkt nog wat glimlach bij en zoekt in haar schoudertas naar tissues. De stratenmakers vegen het zweet van hun voorhoofd en straten verder.
“Mag ik je iets vragen, Janine?”
Janine knikt vriendelijk en dept haar ogen.
“Weet jij wat je tegen vetluis kunt doen?”
terug

verhalen

vanaf

de

toog