Vloekverbod

- 02 May 2018 door Edwin Timmers -

Mijn moeder kon het niet waarderen, maar toch vloekten mijn broers en ik al op jonge leeftijd als gekken. Creatief waren we aanvankelijk niet, dat kwam pas later. Ik geloof niet dat we ooit gewoon auw hebben geroepen. Altijd hadden we een even beeldend als normoverschrijdend alternatief om onze pijn of ongenoegen te uiten. Niettemin waren en zijn we hele aardige en zachte kerels. Ons gevloek en getier is wellicht een harnas ter bescherming van onze weke inborst. Vloekwoorden zijn een onbewust onderdeel van ons vocabulaire. We worden ons er bewust van als we op plekken komen waar vloeken uit den boze is. En die plekken zijn er nog altijd genoeg. Hoe moeilijk het is om daar gewoon auw te zeggen en om je ongenoegen zonder vuilbekkerij te formuleren, laat zich nauwelijks uitleggen. Het voelt een beetje alsof je tussen Duitsers staat en zelf uiterst gebrekkig Duits spreekt. Elk woord weeg je voordat je het aarzelend over je lippen duwt. Tegelijk voel je jezelf een beetje dom en sowieso moreel minderwaardig.
Vorige week bevond ik me een halve dag tussen mensen die om religieuze redenen niet vloeken en dit taalgedrag om dezelfde redenen ook ten strengste veroordelen. Ik bracht het er zonder kleerscheuren vanaf, want beperkte mijn spreken tot het uiterste minimum. In algehele taalverwarring kwam ik thuis. Mag ik tegen mijn geliefde zeggen dat ik even ga schijten? Doodop trok ik het toilet door.

Een dag later vertelde ik hierover tegen een vrouw van zesentwintig, een levensgenieter, niet vies van een schunnig woord. Zij heeft duidelijk minder moeite met restricties op taalgedrag, sterker nog, ze negeert ze en overtreedt ze zelfs als ze dat nodig acht.

Onlangs speelde ze met haar team een hockeywedstrijd in een dorp waar op zondag de kerk nog immer vol zit. De tegenstander staat bekend als verbaal voorbeeldig en opmerkelijk stiekem waar het op irritant spel aankomt. Sticks die meestal eerst de schenen raken en pas daarna de bal, dat soort van foefjes. De zesentwintigjarige en haar team kozen voor een offensief van het schuttingwoord. Op zeker moment verzocht de scheids, die volgens haar slecht, want partijdig floot, of zij en haar team wat op hun taal wilden letten. “Als jij nou eens gewoon normaal fluit,” begon ze haar antwoord. “Dan hoeven wij niet te vloeken.”
terug

de

flap

flap